Posts tonen met het label Mansurah. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mansurah. Alle posts tonen

vrijdag 20 juni 2014

De Kruisboog

Jan van Joinville schrijft over een bepaald moment in de slag bij Mansurah in 1250: 'En weet dat het een prachtig treffen van wapens was, omdat niemand een boog of kruisboog afschoot. In plaats daarvan sloegen zowel de Turken (sic) als onze mannen met knotsen en zwaarden en iedereen liep door elkaar.'

Het gebruik van (met name kruis-)bogen zien Jan en zijn tijdgenoten bepaald niet als iets eervols. De van oorsprong 5e eeuwse Chinese uitvinding, vindt aan het einde van de 11e eeuw zijn weg naar het Europese slagveld en zorgt daar voor een grote verandering. In vergelijking tot zwaarden, bogen en speren, kost het gebruik van een kruisboog weinig kracht en training. Hierdoor is het mobiliseren van een groep kruisboogschutters relatief gemakkelijk en goedkoop. Tegelijk is dit wapen qua vuurkracht en precisie op dat moment ongeëvenaard. Kruisboog-pijlen hebben een enorm bereik en dringen door pantsers en helmen. Archeologen hebben op Gotland schedels gevonden die doorboord zijn met deze ijzeren projectielen. De Franse Lodewijk VI raakt gewond door een kruisboogschot en Richard Leeuwenhart wordt er door  gedood. Voor het eerst, met de komst van de kruisboog geven niet langer kracht en moed de doorslag op het slagveld, maar wordt techniek een bepalende factor.

Zoals wel vaker het geval is bij uitvindingen van grote strategische waarde, is de reactie dubbelhartig: enerzijds worden kruisboogschutters met minachting bejegend. Amnesty-regelingen voor een heel leger gelden niet voor hen en de Paus verbiedt het gebruik van kruisbogen tegen christenen. Anderzijds worden kruisboogschutters goed betaald en heeft iedere zichzelf respecterende vorst binnen de kortste keren een paar honderd van deze kerels onder de wapenen. 

(De kruisboog als handwapen is een Chinese uitvinding)

zaterdag 26 april 2014

Koning, Keizer, Kardinaal

Jan van Brienne is een Franse ridder, afkomstig uit de Champagne. In 1210 trouwt hij op initiatief van de Franse koning Philips Augustus, met Maria van Jeruzalem. Voortaan mag Jan zich 'koning van Jeruzalem' noemen. Helaas omvat zijn koninkrijk op dat moment niet veel meer dan de havenplaats Akko en enkele andere steden langs de kust van het Heilige Land. 

Koning Jan is een van de leiders van de Vijfde Kruistocht en na de verovering van Damiate in november 1219 doet sultan Al-Kamil hem een genereus voorstel: de sultan wil Damiate terug in ruil voor Jeruzalem. Voor Jan lijkt hiermee een droom werkelijkheid te worden. Helaas steekt een van de andere leiders hier een stokje voor. Kardinaal Pelagius verbiedt de Kruisvaarders op straffe van excommunicatie in te gaan op het aanbod van de sultan. Nu de Egyptische sultan wankelt, moeten de christenen de strijd voortzetten. Bovendien kan de Duitse keizer Frederik II nu ieder moment scheep gaan om de christelijke gelederen in Egypte te versterken. Voor de kardinaal staat hiermee de militaire overwinning al vast en is een diplomatieke akkoord dus ongewenst. Helaas voor de Kruisvaarders, komt Frederik hen niet te hulp en uiteindelijk vindt de expeditie een roemloos einde in de Nijldelta, nabij Mansurah. 

Enkele jaren later hoopt Jan opnieuw steun te krijgen van frederik II, door zijn dochter aan de keizer uit te huwelijken. Maar de Duitser heeft andere plannen: prompt sommeert hij zijn schoonvader alle claims op het koninkrijk op te geven. Op 17 maart 1229 trekt Frederik zelf -na succesvolle onderhandelingen met de Egyptische sultan- Jeruzalem binnen. Een dag later wordt hij tot koning gekroond. Dat de vorst inmiddels door de paus geëxcommuniceerd is, doet daar niets aan af. 

(Jan van Brienne wordt in 1210 gekroond tot koning van Jeruzalem)



vrijdag 11 april 2014

Kampziekte

Net als de Friezen ruim dertig jaar eerder, bevindt Jan van Joinville zich in het voorjaar van 1250 in de Nijldelta. Hij is op Kruistocht met koning Lodewijk IX. Jan's beschrijving van de ontberingen is aangrijpend: 

'In de vastentijd aten we in het legerkamp geen andere vis dan kwabaal. En op zijn beurt voedde de aal zich met de lijken in de rivier. Door deze onfortuinlijke situatie en vanwege dat ziekelijke land waar nooit een druppel regen valt, werden we getroffen door de kampziekte. Het vlees van onze benen droogde uit en het vel werd zwart-gevlekt en aarde-bruin als een oude laars. Zij van ons die deze ziekte opliepen zagen eerst hun tandvlees wegrotten. Niemand overleefde het; hen wachtte een wisse dood. wanneer de neus eenmaal begon te bloeden, was de dood nabij. (..) De kampziekte nam toe in ernst; mensen hadden zoveel dood tandvlees, dat de barbiers het eerst moesten verwijderen voor de zieken hun voedsel konden kauwen en wegslikken. Het was erbarmelijk de mensen overal in het kamp te horen brullen als hun vlees werd weggesneden. Ze huilden als vrouwen in barensnood. (..) De koning -die de kampziekte had en ernstige diaree- zei dat hij zijn mensen niet zou verlaten. Die avond verloor hij enkele malen het bewustzijn en vanwege de zware diaree moest hij zó vaak naar de latrines dat men het zitvlak uit zijn broek sneed.'

Dat mannen als Lodewijk en Jan van Joinville niet halsoverkop huiswaarts keerden, maar hun Kruistocht nog vier jaar hebben voortgezet, blijft mateloos fascinerend.


(Doré verbeeldt hoe de Nijl na de slag bij Mansurah een bron van ziekte en ellende vormt.)