Posts tonen met het label hostie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label hostie. Alle posts tonen

zaterdag 17 juni 2017

Kennismaking met Jelmer

De vloot laat Pointe Saint-Mathieu achter zich en steekt de Golf van Biskaje over. Eén Friese pelgrim in het bijzonder zal vanwege zijn eigen ervaring met hosties nog herhaaldelijk terugdenken aan de schipbreuk en het wonder dat achter hen ligt. Ik noem hem Jelmer en zijn verhaal wordt verteld door Caesarius van Heisterbach in de Dialogus Miraculorum: 
 
Er leefde in dat gebied een Fries, kampvechter van beroep, die telkens wanneer hij uit de taveerne dronken naar huis ging zijn vrouw op slagen en allerlei pesterijen onthaalde. Op een keer hield zij zich uit vrees voor haar man ziek, en opdat men niet zou merken dat ze simuleerde, liet ze om het Lichaam des Heren vragen. Bij de komst van de priester liep de kampvechter met een kroes bier in de hand beschonken op hem toe en drong aan op een dronk. De priester antwoordde: 'Ik draag het Lichaam des Heren, ik mag nu niet drinken'. De Fries ontstak in woede en sloeg met zijn kroes tegen de pyxis. Alle hosties vlogen eruit en kwamen verspreid op de stenen terecht. Maar de vrouwen die daar bijeen waren om troost te geven, zagen op elk van de hosties iets als een stralende ster. Jammerend en boos verzamelde de priester ze weer in de pyxis en ging weg.
De Fries werd door de landdeken van de streek gedagvaard en geëxcommuniceerd, maar hij maakte zich daar niet druk om. Ten lange leste werd hij gedwongen om, nadat hij voor deze ernstige heiligschennis het kruis had aangenomen, met de voornoemde priester, die hetzelfde had gedaan, naar Rome te gaan. Hij biechtte zijn zonden aan paus Honorius, die hem als boetedoening oplegde naar overzee (het Heilige Land) te gaan en daar drie jaar gewapend Christus te dienen. Om kort te gaan: Allebei gingen ze overzee, en allebei vonden ze voor Damiate de dood.

Hiermee is het verhaal nog niet ten einde, want Caesarius vertelt ook hoe Friesland na de dood van de kampvechter getroffen wordt door een grote overstroming. Vervolgens laat Maria in een visioen weten dat dit de schuld is van de kampvechter. Voor zijn dood heeft hij namelijk geen berouw getoond voor zijn zonden. Ceasarius merkt nog wel op dat er een getuige is die beweert dat de kampvechter voor vertrek wel degelijk alle uiterlijke tekenen van berouw vertoonde. Maar toch hecht hij uiteindelijk meer geloof aan de verklaring van de heilige Moeder Gods. 

Dit aangrijpende verhaal geeft een prachtige inkijk in sfeer die de Vijfde Kruistocht omgeeft. De geestelijke wereld is een realiteit. Gods heiligheid en zijn toorn liggen dicht bij elkaar. En een individu kan een verpletterend zware Hemelse last op zijn schouders te dragen krijgen. Stel je voor! Met één zonde stort deze kampvechter een heel volk in het ongeluk.

Bij het schrijven van mijn scenario is dit verhaal één van mijn uitgangspunten geweest. Zoals gezegd, heet mijn hoofdpersoon Jelmer en hij vertoont enige gelijkenis met de kampvechter van Caesarius: 

Jelmer is een hoofdeling uit Bedum. Zijn karakter is diep geworteld in de Friese vete-cultuur. Hij geeft met harde hand leiding aan een groep stoere strijders. Zijn status als krijgsheer stort in wanneer hij in een dronken bui een priester mishandelt. Hij wordt geëxcommuniceerd en zijn vrouw verlaat hem. In de Kruistocht ziet Jelmer een kans om boete te doen voor zijn zonden. Dat de rest van de kruisvaarders zich minder bekommert om de heiligheid van de onderneming, grijpt Jelmer diep aan.

Met deze Jelmer trek ik nu al jaren op. Bij het schrijven van het scenario heb ik hem door en door leren kennen. Soms had ik een scène bedacht, maar dan liep de boel ineens vast. Dan lukte het mij niet om Jelmer de juiste dingen te laten zeggen of doen, om het verhaal rond te krijgen. Uiteindelijk bleek dan vaak dat ik niet voldoende rekening had gehouden met Jelmers karakter en zijn kijk op de dingen. Pas als ik daar dan bij stil stond, kwam het verhaal weer op gang; vaak heel anders dan ik eerst bedacht had.

En het gekke was, ik kende Jelmer wel van binnen, maar nog niet van buiten. Pas vorige week heb ik hem voor het eerst recht in de ogen gekeken. Roelof Wijtsma maakte een schets van Jelmer en ik wist gelijk dat dit de man is, met wie ik al die tijd heb op gereisd.

(Jelmer van Bedum. Getekend door Roelof Wijtsma)

vrijdag 16 juni 2017

5/11 juni 1217 - Boete bij het hoofd van Mattheus

Lang niet alles wat onderweg gebeurt wordt gelijk duidelijk uit het verslag van onze anonieme pelgrim. Vaak moet je tussen de regels doorlezen of extra bronnen raadplegen. Zo is wat er bij de abdij van Saint Mathieu gebeurt alleen te begrijpen als je weet welk wonder juist heeft plaatsgevonden:

Wij gingen pas de volgende dag (5 juni) met de graaf van Holland op weg naar Bretagne en bereikten op woensdag (7 juni) de haven van Sint-Mattheüs, waar voor de tweede maal de verordeningen werden voorgelezen en het gehele leger zich verplichtte de wetten te onderhouden.
De zondag daarna (11 juni) werd de leiding omgewisseld: de graaf van Holland kreeg het gezag over de voorhoede, de maarschalk van Keulen dat over de achterhoede.

Het wonder met de drijvende hostie maakt diepe indruk op de pelgrims. God zelf heeft nu laten zien dat het hem menens is. De Kruistocht is een heilige onderneming en iedereen die daar lichtzinnig over denkt zal zwaar gestraft worden. Daarom gaat de hele vloot voor anker in de haven van Saint Mathieu. Vanaf een smal strandje klimt het leger over een in de rotsen uitgehouwen trap omhoog naar de abdij bovenop de rotspunt. Daar zal in het open veld en op Oudtestamentische wijze boete gedaan worden. De zonde van één man heeft het hele leger getroffen en dus moet ook iedereen boete doen. 

Per schip verzamelen de pelgrims zich rond hun priester. Er wordt gebiecht en nadat vergeving ontvangen is neemt iedereen deel aan de mis en legt iedereen opnieuw een eed van gehoorzaamheid af. Voor graaf Georg heeft het ongeluk nog extra gevolgen. Omdat de ongehoorzame priester in zijn gevolg meevoer, raakt hij het bevel over de voorhoede kwijt. Vanaf nu zal Willen als opperbevelhebber de vloot aanvoeren en de achterhoede komt onder bevel van de Keulse maarschalk Herman van Alfter. 
 
Hiermee is de geestelijke orde hersteld. Gods zegen kan weer op de expeditie rusten en de pelgrims kunnen weer als eedgenootschap hun goddelijke taak uitvoeren. Toch vaart de vloot niet gelijk uit. Mogelijk is de wind ongunstig. Er zal extra water ingeslagen worden en de pelgrims bezoeken de Benedictijner abdij waar het hoofd van de Evangelist Mattheus als reliek bewaard wordt.

Pas op zondag 11 juni vaart de vloot weer uit. De koggen laten het land achter zich en varen de volle zee op, dwars door de Golf van Biskaje richting A Coruña, waar de relieken van een volgende apostel op de pelgrims wacht.

(Pointe Saint-Mathieu met de ruïne van de Benedictijner abdij.)

woensdag 14 juni 2017

4 juni 1217 - Een clandestiene hostie

Nu alles goed geregeld is, kunnen de pelgrims weer vertrekken uit Dartmouth. Iedereen kent nu de regels en ook de bevelvoering is goed geregeld. Maar dan gaat het mis..

Hoewel de lucht op zondag (4 juni) enigszins verstoord was vanwege de bij zeelieden altijd verdachte nieuwe-maan-dagen, koos de graaf van Wied zee onder een gunstige wind met vele schepen. Ze kregen echter tegenwind en werden door mist en regen uiteengeslagen; één schip liep op de klippen van Bretagne; de opvarenden werden gered, maar het schip verging en de lading ging verloren.

Op het eerste gezicht lijkt de graaf van Wied eenvoudigweg een inschattingsfout te maken, wanneer hij met de voorhoede uit vaart. Maar er blijkt meer aan de hand. Niet alleen de tegenwind en de plotselinge mist zijn het probleem. Op het noodlottige schip bevindt zich een priester die een goddelijke straf over zichzelf en zijn reisgenoten afroept. Caesarius van Heisterbach beschrijft deze geschiedenis als volgt in zijn Dialogus miraculorum:

Toen bij die laatste, grote expeditie de schepen die zich uit alle delen van Duitsland verzameld hadden in zee staken. werd aan de priesters om verschillende redenen voorgeschreven dat op geen van de schepen het Lichaam des Heren (hosties) mocht worden bewaard. Alle schepen gehoorzaamden de verordeningen behalve één enkel schip van de Friezen, dat heel snel voor deze ongehoorzaamheid moest boeten. Want door Gods oordeel leed het schipbreuk, en de pyxis die het Lichaam des Heren bewaarde, kwam samen met al het andere dat zich op het schip bevond in het water terecht. De mensen werden door de te hulp gekomen andere schepen gered. En kijk, in de verte zagen ze de pyxis in zee drijven en zich met zo'n snelheid naar de schepen toe bewegen dat ze wel leek te zeilen. Toen ze door een van de schepen was opgevist, kon men aan haar nog een tweede wonder aanschouwen. Al stond het deksel wijd open, want die was niet met een band om de sluiting bevestigd, toch was er bij al die stormachtige golven geen druppel water binnengekomen. 
Deken Hermannus van St. Gereon in Keulen, die erbij was en het zag, pleegt dit als een groot wonder te vertellen. 
  
Dit wonder zal op iedereen diepe indruk gemaakt hebben. In de 13e eeuw viert de verering van het Lichaam des Heren hoogtij. De ontheiliging van een hostie is een grote zonde die in menig wonderverhaal ernstig bestraft wordt. Bijvoorbeeld het per ongeluk laten vallen van een hostie is al voldoende om overstromingen te veroorzaken. Om deze reden mogen er ook geen gewijde hosties aan boord zijn. Het zou immers verschrikkelijk zijn, wanneer één van deze heilige stukken brood in zee zou vallen, of -erger nog- door een zeezieke communicant uitgekotst zou worden.
Eén pelgrim die zich het verhaal van de drijvende hostie extra aantrekt, is Jelmer. Maar voor ik zijn verhaal vertel, zal ik morgen eerst vertellen hoe de rest van de vloot op het wonder reageerde.

(Een 13e eeuwse Franse pyxis)