Posts tonen met het label Kroniek van Bloemhof. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kroniek van Bloemhof. Alle posts tonen

vrijdag 22 juni 2018

2 tot 8 april 1218 - Behulpzame kapers

De Friese kruisvaarders zijn verkeerd gevaren. Als ze op Lampedusa stuiten hebben ze waarschijnlijk geen idee waar ze zijn. Gelukkig zijn ze niet als enigen op het eiland:

Daar troffen wij gelukkig een galei aan met Genuese kapers, die in Barbarië geplunderd en Saracenen gevangen genomen hadden, vervolgens door een storm gedwongen waren in die haven binnen te lopen en daar nu wachtten op hun makkers die van hen gescheiden waren. Door hen werden we volledig op de hoogte gebracht van onze vergissing en van de dreigende gevaren, en 's woensdags [3 april] wendden we de steven naar Sicilië, dat wij driehonderd mijl achter ons gelaten hadden. Na honderdtwintig mijl afgelegd te hebben, kwamen we aan bij het eiland Malta; dat lieten we rechts liggen en vrijdags [5 april] bereikten we gelukkig Sarragosa, dat Syracuse heet, honderdzestig mijl van Malta verwijderd. Syracuse is een bisschopsstad in het oosten van Sicilië, tussen Marsala en Catania. We vierden daar plechtig Palmpasen [8 april]. De kanunniken van de kerk aldaar volgen in alles de Latijnse ritus.

De Friezen zijn om het eiland heen gevaren en tot hun grote vreugde zien ze aan de zuidkant in een natuurlijke haven een grote Genuese galei liggen. Het schip is bijna twee keer zo groot als de koggen van de Friezen. Door de omvang en het relatief lage boord, is de galei kwetsbaar bij onstuimig weer. Het is dan ook kenmerkend dat de Friezen de Genuezen ontmoeten terwijl ze een veilig heenkomen hebben gezocht voor een storm.

De Genuezen hebben juist een plundertocht op de kunst van Barbarië (Tunesië) achter de rug. Het ruim zal vol zitten met buit en bange Berbers. Dankzij de rijen roeiriemen is het schip niet afhankelijk van de wind. Het kan op ieder gewenst moment grote snelheden halen. Dit maakt de galei het uitgelezen schip voor kapers die het bij hun aanvallen van verrassing en precisie moeten hebben. 

Net als de Venetiërs, zijn de Genuezen ervaren en proactieve slavenhandelaars. Tussen Katholieke christenen onderling is slavernij verboden. Maar andersgelovigen zijn voor een middeleeuwer simpelweg 'ongelovig'. Het vangen, verhandelen en bezitten van zulke mensen is niet, of nauwelijks een probleem en dat weten deze Italianen maal al te goed. Zij stropen voor hun handelswaar het hele oostelijke deel van de Middellandse zee af en ook de Egeïsche zee en de Zwarte zee. Dat soms ook Orthodoxe christenen het slachtoffer worden van deze handel, laat de Italianen onverschillig. 

Relatief weinig slaven worden in Italië verkocht. De meesten worden verhandeld op islamitische slavenmarkten. De Genuezen voelen hierbij geen enkel bezwaar. Hun handelswaar is ongelovig en niet van strategisch belang. Bovendien, het geld dat de moslims uitgeven kan nu niet meer gebruikt worden in de strijd tegen de christenen. En ongetwijfeld zal een percentage van het verdiende geld gedoneerd worden aan de strijd in het Heilige Land. 

(Op het eerste gezicht is dit een afbeelding van Moorse handelaren die christenslaven vervoeren. Maar het kruis in de vlag verwart mij.)

dinsdag 19 juni 2018

25 maart tot 2 april 1218 - Voor de wind

Dan, na het uitgebreide afscheid beginnen de kruisvaarders eindelijk aan het nieuwe reisseizoen:

Op Maria Boodschap [25 maart] hesen we de zeilen; een dag en een nacht lang hadden we een voorspoedige vaart, maar daarna kregen we tegenwind en we keerden terug naar de haven van Civitavecchia.
Vandaar vertrokken we weer, nog op diezelfde dag, een dinsdag [27 maart]. Met de zeilen gebold door de noordenwind lieten we de monding van de Tiber, Gaeta, Baia, Napels, het vorstendom Apulië, Calabrië en Sicilië, waarheen we op weg waren, links liggen. Eindelijk op de zesde dag, een maandag [2 april], kwamen we, vermoeid door de vele gevaren, door een fout van de stuurman, onder Christus' leiding aan bij een eiland dat Lampedusa genoemd wordt, vijftig mijl van Barbarië verwijderd.

Met volle zeilen verlaten de kruisvaarders het strand van Corneto. Nog even is er een kort oponthoud door draaiende wind. Maar dit ongemak is van korte duur. Nog de zelfde dag vaart men verder. Tot Napels wordt de kust gevolgd en van daar kiezen de koggen de open zee naar het zuiden, langs de westkant van Sicilië.

Dag en nacht vaart men verder. Maar op de zesde dag blijkt dat de stuurman een fout heeft gemaakt. De vloot is te ver naar het zuiden gevaren en koerst nu recht op Barbarië, het land van de Berbers af! Maar voor het zo ver is, stuiten de kruisvaarders gelukkig op het rotseilandje Lampedusa.

Tegenwoordig is dit eiland gebrandmerkt door het drama van vele duizenden Afrikaanse vluchtelingen die deze voorpost van Europa in kleine bootjes proberen te bereiken. In de dertiende eeuw had het eiland ook een dramatische -zij het heel andere- reputatie. Joinville vertelt hierover. In het voorjaar van 1254 reist koning Lodewijk de Heilige na een kruistocht van zes jaar terug naar Frankrijk:

We kwamen bij een eiland dat Lampedusa heet en waar we veel konijnen vingen. Tussen de rotsen vonden we een oude kluizenaarswoning met tuinen, aangelegd door de kluizenaars die daar vroeger woonden. Er waren olijfbomen, vijgenbomen, druivenranken en nog andere bomen. Er liep water van een bron door de tuin. Met de koning gingen we naar het einde van de tuin, waar we een kapelletje vonden. De eerste ruimte had witgekalkte muren met een kruis van rode aarde. In de tweede ruimte vonden we twee dode mannen. Hun vlees was vergaan, maar de ribben zaten nog aan elkaar en hun handen waren op hun borst gevouwen. Zij lagen naar het Oosten gericht zoals lichamen ook begraven worden. Toen we naar ons schip terugkeerden ontbrak één van de zeelieden. De kapitein dacht dat hij was achtergebleven om kluizenaar te worden. Daarom liet Nicolaas van Soisy, het hoofd van de koninklijke lijfwacht drie zakken beschuit achter op het strand, zodat de man zich daarmee in leven zou kunnen houden.

(Lampedusa. Al eeuwen de toegangspoort naar een nieuw begin.)

vrijdag 15 juni 2018

20 maart 1218 - Tranen bij het afscheid

Nadat de podestà een lofrede op de Friezen heeft gehouden, antwoordt onze anonieme pelgrim de Italianen op gelijke wijze:

Wij kregen gelegenheid te antwoorden, en prezen zo goed als het ging al hun betoon van vriendelijkheid, de bewezen weldaden en de tegenover ons tot aan het einde in acht genomen goedheid; we memoreerden hoe welwillend ze ons hadden toegestaan in hun bos hout te hakken, hoewel dat voor de eigen burgers verboden was, hoe liefdevol ze ons in hun herbergen, hoe eerlijk ze ons in commerciële aangelegenheden hadden behandeld, hoe vriendelijk ze onze zieken hadden bezocht en van alles hadden meegenomen wat in de ervaring van het volk of van artsen een goed geneesmiddel was gebleken, en het hadden verstrekt al naar de ziekte dat vereiste; met hoeveel liefde ze onze zieken beweenden, als waren het hun eigen kinderen, terwijl ze hun graven als die van heiligen vereerden enz. Wij beloofden hen allen een aandeel in ons werk en wensten hen Gods beloning toe en namen niet zonder tranen afscheid van hen.

Tranen vloeien rijkelijk in middeleeuwse kronieken en verhalen. Als mensen afscheid nemen of elkaar weerzien, bij zowel goed als slecht nieuws. Verontwaardiging, geluk, ontroering, machteloosheid, woede en dankbaarheid. Het leidt allemaal tot waterlanders. Daarom gebruik ik binnenskamers wel eens de term 'eeuwen van ontroering'.

Je kunt het zo gek niet bedenken of er wordt wel gehuild. Geliefden huilen als zij in elkaars armen liggen. Koning Arthur huilt als hij tegen zijn vroegere vriend Lancelot ten strijde trekt. Er wordt uit dankbaarheid gehuild, wanneer Beowulf een overwinning behaalt. Ook devotie ontlokt veel tranen.

Tijdens de kruistochtprediking barst het samengestroomde volk in tranen uit, als het hoort hoe de heilige plaatsen geschonden worden. Het besef van eigen zonden leidt tot tranen. En ook de liefde van Christus, de Verlossing en de behoefte aan wraak worden huilend beleefd. Maar waarom wordt er toch zo veel gehuild? 
 
Voor Middeleeuwers zijn tranen als hemelse douw. Zij wassen het hart schoon en zij zijn een teken van oprechtheid. Daarom staan de stoere Friezen die dag in maart op het strand van Corneto naar hartenlust te huilen. Want de welbespraaktheid van onze anonieme pelgrim zegt veel. Maar de tranen van zijn landgenoten zeggen nog veel meer.

(Tranen zeggen meer dan woorden)

vrijdag 20 april 2018

20 maart 1218 - Een feestelijk afscheid

Voor vertrek zijn de koggen van Corneto naar open zee gebracht. Nu volgt de afscheidsceremonie:

Zij [de Italianen] lieten degenen die ze vriendelijk hadden ontvangen nog vriendelijker gaan. zo het goede begin met een nog beter einde besluitend, en met vele duizenden mannen en vrouwen, in een schitterende en glorieuze optocht met 48 banieren en vaandels. begeleidden ze ons naar de zee. Daar hield de podestà van Corneto, een verstandig man en een bekwaam rechtsgeleerde, voor de verzamelde menigte, die in een kring was opgesteld, een lofrede op de trouw en dapperheid van de Friezen, en bood eigener beweging aan schadevergoeding te betalen, wanneer ons enig onrecht zou zijn aangedaan. Ook de kruisvaarders uit Corneto, Viterbo, Tuscania, Siena, Vetralla, Montalto, Montefiascone en de anderen die in onze schepen naar het Heilige Land zouden varen, beval hij in onze hoede aan, en hij droeg hen op zich in alles aan ons te onderwerpen. Toen iedereen daarmee ingestemd had, stak de voorzitter van de stadsraad zelf een prachtig vaandel als teken van macht en bevoegdheid eigenhandig in de lucht, en alle Latijnen verplichtten zich onder ede in zaken van oorlog en vrede ons als vaders te gehoorzamen.

De Friezen worden op overweldigende wijze uitgeleide gedaan. Van heinde en verre zijn mensen gekomen om de 'strijders van Christus' op de vijf kilometer lange wandeling van Tarquinia naar de schepen te begeleiden. 

Ik stel mij voor dat de hoge geestelijken voorop gaan met aan het hoofd een grote crucifix. Wellicht worden ook relieken van plaatselijke heiligen meegevoerd. Dan volgt het stadsbestuur, met de leiders en de geestelijken van de vloot. Deze groep voert het stadsvaandel van Tarquinia en Friese onderscheidingsteken. Over Friese vlaggen en vaandels uit de 13e eeuw is niets bekend, maar zoals we eerder zagen, hebben zij beslist veldtekenen

Dan komt de rest van de Friese strijders, gevolgd door de Italiaanse kruisvaarders. Vervolgens zien we de notabelen uit omliggende steden, met hun vaandels en stadswapens. En tenslotte trekken de inwoners van Tarquinia en andere plaatsen voorbij. Ook zij dragen vaandels mee, van voorname families, wijken of heiligen. De sfeer is uitgelaten en er worden gezangen en kruistochtliederen gezongen.

Eenmaal op het strand aangekomen, volgt een indrukwekkende toespraak van de podestà. Onze anonieme pelgrim heeft deze man in de afgelopen winter blijkbaar persoonlijk leren kennen. De beschrijving van de bestuurder komt persoonlijk en gemeend over. Daarna is het tijd voor de Italiaanse kruisvaarders om de gelofte af te leggen die de Friezen bijna negen maanden eerder in Dartmouth en even later in Saint Mahieu hebben afgelegd. Tenslotte krijgen de Italianen de opdracht van hun leiders om zich te onderwerpen aan het gezag van de Friezen, alsof het hun vaders zijn. Dit vind ik op zijn minst opmerkelijk. 

Stel je voor: De Europese maatschappij in de 13e eeuw is feodaal. Het gewone volk valt onder het gezag van een lokale heer of edelman. In ruil voor belasting en militaire steun beschermt de heer zijn volk. Maar deze heer op zijn beurt heeft zijn grondgebied in leen gekregen van een hogere edelman aan wie hij ook weer geld en militaire steun verplicht is. Zo is het gezag in heel Europa opgebouwd als een piramide, met aan de top de koning of de keizer. Alleen de Friezen en de Zwitsers trekken zich in deze tijd niets aan van dit systeem.

De Friezen beschouwen zich als eigen baas. Zij dienen geen enkele landsheer, maar hebben zich georganiseerd rond lokale hoofdelingen. Dit wordt 'Friese Vrijheid' genoemd; een tot de verbeelding sprekende term die door de eeuwen heen vaak geromantiseerd en gemythologiseerd is. 

Dat nu uitgerekend deze groep vrijgevochten Friezen een contingent feodaal georganiseerde kruisvaarders onder hun hoede krijgt, vind ik curieus. Helaas horen we in de rest van de geschiedenis niets meer over de Italiaanse kruisvaarders. We weten dus ook niet of deze vader-kind-relatie de Friezen is bevallen.

(..vele duizenden mannen en vrouwen. in een schitterende en glorieuze optocht met 48 banieren en vaandels.)

dinsdag 27 maart 2018

Het eind van de winter

Na hun bezoek aan de paus, staan de Friezen onder bescherming van de Heilige Vader. Nu hoeven zij op geen enkele wijze nog te vrezen voor malversaties of woekerpraktijken:

Bovendien gaf hij [de paus] ons aanbevelingsbrieven mee voor de inwoners van Corneto, Viterbo, Tuscania en Vetralla, waarin hij voorschreef, onder de bedreiging met de banvloek, dat ze ons in handelszaken en overeenkomsten en andere behoeften eerlijk zouden behandelen, hetgeen door allen zonder enige overtreding in acht is genomen.

De tijd verstrijkt zonder verdere noemenswaardigheden. Dan dient zich eindelijk de lente aan: 

Toen de winter dan voorbij was en het prille begin van de lente aanbrak. op de dag voor het feest van Sint Benedictus [20 maart], manoeuvreerden wij de schepen de haven uit naar open zee, nadat we van de Cornetanen afscheid hadden genomen in tegenwoordigheid van de podestà, de stadsraad en de volksvergadering.

Heel Corneto loopt uit voor het afscheid, met de stadsraad en de podestà voorop. De podestà is in 13e eeuwse Italiaanse steden een gekozen bestuurder, een soort burgemeester. Hij heeft doorgaans een ambtstermijn van een jaar en om jaloezie en cliëntelisme te voorkomen is hij vaak afkomstig uit een andere stad. 

Interessant is dat min of meer de zelfde functionaris in 1470 in Friesland opduikt. In het valse 'Karelsprivilege' waarop de Friezen hun recht op vrijheid baseren, is namelijk sprake van een gekozen legeraanvoerder die 'potestaat' genoemd wordt. De term en de functie zijn beslist niet Fries en er is wel gedacht dat de schrijver van het valse document zich heeft laten inspireren door het reisverhaal van onze anonieme pelgrim. Tegenwoordig wordt echter aangenomen dat Friese studenten de term aan het eind van de 13e eeuw mee teruggebracht hebben na hun studie aan Noord-Italiaanse universiteiten. <Link>

Maar goed. De schepen worden zeilklaar gemaakt. Ingeslagen voorraden worden aan boord gebracht. De boel wordt weer opgetuigd. De ra komt weer in de mast te hangen. Zeilen worden gehesen. Dan varen de schepen over het riviertje de Marta terug naar zee. Het heilige land lokt en spoedig zal de winter in Corneto nog slechts een herinnering zijn.

(De monding de Marta in het vroege voorjaar.)

donderdag 1 maart 2018

Oog in oog met Veronika

Terwijl de Friezen in Rome zijn, gaan ze bij de paus op audiëntie in het Lateraans paleis. Honorius III heeft daar een bijzondere verrassing voor de pelgrims.

Hij neigde de oren van Zijn Heiligheid zozeer naar onze verzoeken dat hij ons de Veronika des Heren binnen enkele dagen wel twéémaal liet zien. 

Al eerder vertelde ik over de zweetdoek van Veronika met daarop een afdruk van het ware gezicht van Christus. (Hier) Oog in oog staan met je heiland is een overdonderende ervaring. En dit gevoel wordt voor de Friezen nog eens versterkt door de setting waarin zij de reliek te zien krijgen. 

Ik stel mij voor dat de paus zijn gasten ontvangt in het Sancta Sanctorum; zijn privé-kapel in het Lateraans paleis. Om hier te komen, beklimmen de pelgrims eerst kruipend de Scala Sancta. Deze trap is volgens de overlevering afkomstig uit het paleis van Pontius Pilatus in Jeruzalem. Toen Jezus na zijn geseling voor de Romeinse prefect werd geleid, beklom hij deze zelfde trap! En op de treden zijn nog altijd zijn bloeddruppels te zien!

Eenmaal in het heilige der heiligen, valt de pelgrims de mond open. In de kleine kapel worden zij omringd door de meest heilige relieken die ze zich als kruisvaarders kunnen voorstellen: Moedermelk van Maria! Sandalen van Christus! De tafel van het Laatste Avondmaal! Het Heilige Kruis! De spons waarmee Christus te drinken kreeg! De lans waarmee Hij werd doorboord! Het hoofd van Petrus! En het hoofd van Paulus! De liefde, het lijden en de overwinning van Christus gaan op deze bijzondere plek hand in hand.

En dan komt de paus binnen met de Veronika. Hij laat de Friezen diep in het gezicht van hun Heiland kijken. Daarna houdt hij een vlammende preek over het navolgen van Christus en over wraak en vergelding. De stemming slaat om. Diepe ontroering en berouw maken plaats voor woede en haat. De geestdrift was door de lange maanden van rust en verveling in Corneto misschien en beetje bekoeld. Maar na deze bijzondere ervaring is het kruistocht-elan bij de pelgrims weer helemaal terug. 

Zingend en joelend verlaten de mannen het Lateraans paleis. Het doet er niet meer toe hoe lang de winter nog duurt. Zij gaan naar Jeruzalem! Zij gaan het Heilige graf bevrijden!

(De treden van de Scala Sancta zijn tegenwoordig betimmerd. Door kleine ruitjes zijn de bloeddruppels te zien.)

zondag 11 februari 2018

Naar Rome - langs martelaars en overwinnaars

Nu de Friezen in Corneto overwinteren, maken zij van de gelegenheid gebruik om Rome te bezoeken.

De heer Paus ontving hen vriendelijk, zeer verheugd over de dapperheid en moed van de Friezen met name bij de verwoesting van de Spaanse stad (Santa Maria de Faro).

De eerste weken van hun verblijf gebruiken de Friezen om uit te rusten en om hun schepen te herstellen. En later, met het voorjaar in aantocht, zullen de pelgrims druk geweest zijn met het reisklaar maken van de vloot. Maar in de tussenliggende maanden overheerst verveling en nietsdoen. Een uitstapje naar Rome, 90 kilometer verderop zal dan ook meer dan welkom geweest zijn.

De pelgrims zullen het rustig aan gedaan hebben. Na een dag of vier, vijf lopen, komen ze in de namiddag aan in de Eeuwige Stad. Een paar kilometer buiten de stad zijn ze (naar hun beste weten) langs de graftombe van keizer Nero gekomen. De Friezen zullen met een vreemde mengeling van afschuw en verlangen naar het monument hebben gekeken. Nero is natuurlijk een gehate christenvervolger. Maar tegelijk ligt het verlangen om als martelaar te mogen sterven diep verankerd in de harten van de mannen. 

Nu trekken ze over de Milvische brug; de plek waar keizer Constantein zijn rivaal versloeg en de overwinning toeschreef aan de god van de Christenen.. Voor de slag had de niet-christelijke keizer een visioen waarin hij een oplichtend kruis zag met de woorden: In hoc signo vinces (In dit teken zult gij overwinnen). Ongetwijfeld denken de pelgrims hieraan bij het oversteken van de brug. Zij dragen immers het zelfde teken.

Dicht langs de oostelijke oever van de Tiber, trekt de stoet door een woestenij van ruïnes en wildgroei. Het eens zo machtige Rome is in de 13e eeuw nog maar een schaduw van zichzelf. Binnen de stadsmuren van de klassieke stad heersen leegte en verval. Alleen de kerken en de villa's van adellijke families zijn hier nog eilandjes van beschaving.
 
Maar de Friezen blijven niet in de stad. Waar nu de Ponte Vittorio Emanuele II ligt, steken zij de Tiber opnieuw over. Op de andere oever (Trastevere) ligt namelijk het gastenverblijf voor Friese pelgrims in Rome; de schola Frisonum die tegenwoordig beter bekend is als de 'Friezenkerk'. 

Van hieruit zullen de pelgrims toeristisch door de stad trekken en op weg gaan naar Paus Honorius in het paleis van Lateranen.

(Constantijn droomt en overwint.)

woensdag 10 januari 2018

Kornoelje in Corneto

Het vaarseizoen van 1217 zit er op. In Corneto worden de pelgrims hartelijk welkom geheten:

De stad, die Corneto [Tarquinia] heet naar de gele kornoeljebomen, is een vesting van de paus, gesticht op het erfdeel van Sint Petrus; zij ligt drie mijl van de zee en twee dagreizen van Rome verwijderd. Wij werden door de burgers van Corneto vriendelijk ontvangen. Ze garandeerden hun betrouwbaarheid en onze veiligheid door middel van een oorkonde, en wij zorgden ervoor alles wat in de winter tot verlichting kan dienen in gereedheid te brengen [...].
 
Lange tijd heeft het mij verbaasd dat onze anonieme pelgrim bij zijn aankomst in Corneto, in begin oktober allereerst schrijft over de kornoeljebomen. De bloeiperiode en de oogst van deze boom zijn dan al lang geweest. Aan de bomen is op dat moment niets opmerkelijks meer. Hooguit kan het stadsbestuur de pelgrims gedroogde besjes, jam of kornoeljewijn aangeboden hebben.

Eigenlijk vond ik dat onze pelgrim beter iets had kunnen schrijven over het Etruskische verleden van de stad. Hij had kunnen vertellen hoe het oude Tarquinia in de 8e eeuw door de Saracenen verwoest werd. Zo'n weetje had prachtig bij het hoofdthema van de Kruistocht gepast. Hij had ook nog iets kunnen vertellen over de vesting, of over de kerken van de stad. Maar in plaats daarvan betreden we Corneto met een wat dubieuze etymologische verklaring van de naam..

Pas tijdens de voorbereiding voor dit stukje zag ik ineens dat mijn redenering niet klopte. Al die tijd heb ik het reisverslag als een dagboek gelezen, terwijl onze pelgrim het waarschijnlijk pas achteraf in Palestina geschreven heeft! Aan het einde van de winter hebben de Kruisvaarders gezien hoe de kornoelje Corneto geel kleurt. Dit was voor hen het teken dat zij hun reis bijna konden vervolgen. Geen wonder dus dat deze bomen als eerste opduiken in het verslag.
 
Maar goed, zo ver is het nu nog niet. Het is voor de pelgrims nog oktober en zij maken zich in de haven op voor de winter. De ra van de schepen wordt een kwartslag gedraaid en een stuk naar beneden gehaald. Vervolgens spannen ze vanaf de boorden zeilen over de balk. Zo ontstaan tenten die in de komende zes lange en saaie maanden als winterverblijf zullen dienen. 

(Wachten op het voorjaar)

zondag 12 november 2017

ca.1 september tot 9 oktober 1217 - Rustig verder varen

Lange tijd hebben de Friese pelgrims hun best gedaan om maar zo snel mogelijk naar Akko te komen. Maar na Saint Mandrier verandert het reistempo ineens abrupt.  
 
Na twee weken vertrokken we weer vandaar (Saint Mandrier). We lieten de steden Garda, Gera en Antibes links liggen en liepen op het feest van Lambertus martelaar (17 september) een haven binnen die Oliva (Villefranche-sur-Mer) genoemd wordt. Ten westen daarvan, aan de andere kant van een tussenliggende berg, ligt Nice, een vesting die gebouwd is op de top van een berg. Vandaar gingen we na acht dagen weer verder; we lieten de beroemde steden Genua en Pisa en ontelbare burchten links liggen, passeerden aan onze rechterhand de eilanden Sardinië, Corsica, Capraia, Gorgona, Elba en vele andere, en kwamen aan in een stad die Piombino heet, in het territorium van Pisa. Vandaar vertrokken we weer na acht dagen in de richting van Messina, maar daar we te kampen kregen met tegenwind, liepen we op het feest van Sint Dionysius martelaar (9 oktober) niet zonder groot gevaar de haven van Civitavecchia binnen, dat vroeger Centumcellae genoemd werd. Omdat er weinig ruimte was en de vele schepen in de kleine haven tegen elkaar stootten, voeren we met achtien schepen de haven uit, en we gingen voor anker in de haven van Corneto.

De vorige keer heb ik verteld dat de pelgrims nog twee maanden de tijd hebben om in het vaarseizoen van 1217 Akko te bereiken. Maar in plaats van zo snel mogelijk door te varen, blijft de vloot maar liefst twee weken in Saint Mandrier liggen. De Friese pelgrims hebben geen haast meer. De vaart is er uit. In Villefranche-sur-Mer; de volgende haven blijven ze acht dagen liggen en in Piombino ook weer. Waarom de pelgrims het ineens zo rustig aan doen, wordt niet in de bronnen verteld. We kunnen wel een goed geïnformeerde gok doen:

Doordat we de Friezen in deze geschiedenis steeds zo nauw op de voet volgen, zou je soms haast vergeten dat hun kruisvaart onderdeel is van een veel grotere operatie. In 1217 zijn in heel Europa kruisvaarders onderweg om in de herfst van dat jaar in Akko aan te komen. In dat verband is onder meer afgesproken dat de Friezen, Hollanders en Rijnlanders zich in Zuid Italië bij Hongaarse, Duitse en Oostenrijkse kruisvaarders zullen voegen. Samen zullen zij de grote oversteek naar het Beloofde Land maken. 

Maar in Saint Mandrier bereikt de Noordelijke pelgrims waarschijnlijk het nieuws dat de Midden Europese kruisvaarders niet Zuid Italië maar Split in Dalmatië als vertrekpunt hebben gekozen. De Friezen zullen de onbekende oversteek dus zonder begeleiding moeten doen. Bovendien horen ze dat de noodzaak van een tijdige aankomst in Palestina is weggevallen. Keizer Frederik II -de bedoelde leider van de kruistocht- zal in 1217 namelijk niet meer richting Akko vertrekken. Het Kruisleger in het Heilige Land zal minstens tot het voorjaar van 1218 zonder opperbevelhebber zitten. 

De reis langs de Côte d'Azur en de Italiaanse kust wordt waarschijnlijk het meest ontspannen deel van de hele reis. De pelgrims gaan rustig op zoek naar een plek om te overwinteren. 

(De organisatie van de Vijfde Kruistocht is helemaal opgebouwd rond de verwachting dat Frederik II de expeditie zal gaan leiden.)

maandag 6 november 2017

22 tot 26 augustus 1217 - Naar Marseille

Eindelijk varen de pelgrims weer langs christelijke kusten. Dit deel van de tocht begint haast als een vakantiereisje:

Nadat we dan twee dagen in de verkwikkende nabijheid van zoet water hadden vertoefd voeren we verder onder een gunstige wind; we lieten Taragona en verschillende vestingen links liggen en kwamen op de dag voor het feest van Sint Bartholomeüs (23 augustus) in Barcelona aan, waar wij gelukkig onze metgezellen aantroffen. Vermoeid maar onder gunstige winden vertrokken we weer vandaar en bereikten na acht mijl afgelegd te hebben de haven van Sint Felicianus martelaar (San-Feliu-de-Guixols) in de streek Catalonië. We verenigden ons met de reisgenoten die daar een ligplaats hadden gevonden, en gingen op weg naar Marseille. Maar toen wij door het harde waaien van de noordenwind van het land afgedreven werden, nam de haven van Sint Mendrianus martelaar (Saint-Mandrier), één dagreis verwijderd van Marseille, ons in haar schoot op. De haven ligt ingesloten tussen zeer hoge bergen; rechts ervan ligt de stad Toulon. Een kapel van de heilige martelaar is aan de linkerzijde te zien; het is een armzalig gebouwtje, dat toch zeer beroemd is door heiligheid.

Het moet voor de pelgrims een genot zijn om eindelijk weer langs veilige kusten te varen. De Friezen kunnen weer naar hartenlust zoet water drinken. Wanneer ze maar willen, kunnen ze aan land gaan om nieuwe voorraden in te slaan. En tot hun grote vreugde, worden ze ook weer herenigd met hun kameraden!
 
De woeste stormen van de Atlantische Oceaan hebben de pelgrims definitief achter zich gelaten en het eerste deel van deze etappe leggen zij af onder gunstige winden. Dat is maar goed ook, want de mannen zijn nog lang niet hersteld van alle ontberingen van de afgelopen weken. Onze anonieme pelgrim zegt het onomwonden: men is vermoeid.

Je kunt je voorstellen dat de pelgrims nu het liefst even rustig aan doen. Maar daar is geen tijd voor. Weken geleden zijn de Friezen na heftige discussies uit Lissabon vertrokken. Anders dan de meeste van hun Hollandse en Rijnlandse metgezellen geloofden zij namelijk wél dat zij nog in het vaarseizoen van 1217 (vóór november) Akko in Palestina zouden kunnen bereiken.
 
De twee maanden die de pelgrims nog resten moeten voldoende zijn om de reis te volbrengen. Maar dan moet men wel doorvaren. Het eerste doel is nu Marseille. In die haven kunnen de pelgrims verder op krachten komen. Ook kunnen daar de nodige herstelwerkzaamheden aan de schepen uitgevoerd worden. Daarna kan dan eindelijk het laatste stuk van de reis beginnen. 
 
Volgens de meest gunstige opgaven, kun je in vijftien dagen en nachten van Marseille naar Akko varen. Er is dus nog voldoende tijd. Maar als de reis tot nu toe één ding geleerd heeft, dan is het wel dat optimistische verwachtingen zelden uitkomen. Opnieuw keert de wind zich tegen de pelgrims. Marseille wordt voorbij gevaren en de vloot komt terecht in de haven van Saint-Mandrier. Daar is men veilig voor de ongunstige winden. Maar aan de hoognodige voorbereidingen voor de laatste etappe kan nu niet begonnen worden. 

Opnieuw moeten de pelgrims afwachten..

(De haven van Marseille. Het vertrekpunt voor een 15-daagse reis naar Akko.)

zondag 29 oktober 2017

Dorst

Veertien dagen is onze onbekende pelgrim met zijn metgezellen op zee geweest. Voor zo'n lange periode was lang niet genoeg drinkwater aan boord:

Omdat we daar eindelijk de Saracenen achter ons lieten en vrijheid en drinkbaar water verkregen, bevonden wij de waarheid van het oude spreekwoord dat men vrijheid acht en drinkbaar water hoog waardeert, en wij prezen de schepper ervan. Wij hadden namelijk gebrek aan water gehad en velen van ons, die gloeiden door de warmte van dorst, van koortsen en van dysenterie hadden bitter zeewater gedronken om hun dorst te lessen, waardoor het alleen maar erger was geworden. Sommigen persten het bezinksel uit dat ze in de kruiken vonden, anderen persten allerlei vruchten uit met hun handen, zo hulp zoekend in hun nood; weer anderen zogen de droesem van wijn of van bier uit; sommigen, die uitgeput waren door het dubbele kwaad van honger en dorst, aten zelfs in hun bitterheid van geest zeer bittere broden, met zeewater bereid.

Verhalen over avontuurlijke zeevaarders als Brandaan, Leif Erikson of Columbus grijpen mij altijd aan. Al deze mannen komen vroeg of laat op een punt waar zij niet meer genoeg voorraden hebben om veilig terug te komen. Het enige dat ze dan nog kunnen doen is doorgaan naar hun onbekende bestemming. Ook de Friezen bereiken zo'n 'point of no return'.

Aan boord van de koggen die de Friezen gebruiken is -inclusie 12 bemanningsleden- ruimte  voor naar schatting vijftig opvarenden. En voor al deze mensen kan steeds maar voor een week eten en drinken meegenomen worden. Waarschijnlijk zal dus al kort na het vertrek uit Hairin het water op rantsoen gegaan zijn. Eerst moeten de pelgrims lijdelijk afwachten tot er eindelijk een gunstige wind opsteekt. En daarna varen ze nog eens een heel stuk de verkeerde kant op, waardoor ze nóg langer op zee moeten blijven. 

Onze onbekende pelgrim beschrijft de situatie aan boord uiterst beeldend. Ik zie voor mij hoe de mannen op zoek gaan naar iets dat hun dorst kan lessen. De droesem onder in de wijn- en biervaten geeft even verlichting. Maar dan komt de dorst, door de alcohol versterkt weer in alle hevigheid terug. En dan de mannen die in hun wanhoop zeewater drinken.. Op het strand zag ik eens een dorstige hond die gulzig zeewater dronk. Steeds braakte hij het zoute water weer uit. Maar toch bleef hij doordrinken in de hoop dat zijn dorst gelest zou worden. 

Zelf heb ik tijdens een trektocht eens zo'n zestien uur dorst gehad. Door een inschattingsfout kwamen we met nauwelijks water aan op onze overnachtingsplek. We durfden het water uit het nabijgelegen meertje niet te drinken, uit angst voor buikloop. Gek genoeg hebben we er nog wel pasta mee gekookt. Maar goed. In de saus zat trouwens flink wat zout. De volgende ochtend hebben we eerst zo'n vier kilometer met volle bepakking over zwaar terrein moeten lopen, naar het dichtstbijzijnde gehucht. Praten ging moeilijk. De keel werd ons dichtgeknepen en ons denken werd compleet gedomineerd door de gedachte aan water.

Het water dat ik na de zestien uur eindelijk uit een tuinkraantje dronk, was de lekkerste drank die ik ooit heb gehad. Hoeveel te meer moeten de Friezen dan wel niet van het rivierwater bij Tortosa genoten hebben.

(..het oude spreekwoord dat men vrijheid acht en drinkbaar water hoog waardeert..)

zondag 22 oktober 2017

15 tot 21 augustus 1217 - De vliegende storm

Al vanaf zeven augustus hopen de Friezen op een gunstige wind die hen door de Straat van Gibraltar zal voeren. Dan eindelijk op 14 augustus draait de wind. Maar al snel hebben de Friezen meer meewind dan hen lief is..

Toen wij dan op Maria Hemelvaart (15 augustus) door de vleugels van de Westenwind, die uit zijn gevangenis was losgelaten, werden opgenomen, leek het wel of we niet zeilden maar vlogen, zozeer dat degenen die vaak aan boord van schepen waren geweest en op zee gewerkt hadden, zwoeren dat ze nooit door zulke woedende elementen en zulke ontzaglijke stormen waren voortgedreven. Nadat wij door de jagende winden Spanje, dat degenen die naar Barcelona varen altijd voor ogen moeten houden, uit het zicht hadden verloren, kwamen we op de vierde dag bij het eiland Ibiza aan. Toen we daar bemerkten dat we uit koers waren geraakt, wendden we de steven naar het vasteland en kwamen op de derde dag (21 augustus) in de stad Tortosa aan, waar de rivier de Ebro, de grens van de heidenen en het uiterste gebied van de gelovigen, met zijn zoete water in zee stromend, de bitterheid vermindert en het water drinkbaar maakt.

Er is een daverende storm opgestoken en de kogge wordt als een razende voort geblazen. De uitdrukking die onze onbekende pelgrim gebruikt is daarbij veelzeggend: Het is voor hem alsof ze vliegen. Ik vind dit een fascinerende uitdrukking. Waar denkt onze pelgrim aan als hij die uitdrukking gebruik?

Straaljagers knallen door de geluidsbarrière en zelf nemen wij lijnvluchten naar alle uithoeken van de wereld. In de auto vlieg ik 's nachts met snelheden ruim boven de 130 km/u over de Afsluitdijk. De trein dendert als een gele flits door het landschap. Scooters rijden je in vliegende vaart van de sokken. Wielrenners vliegen je voorbij op het fietspad. En het wereldrecord 100 meter hardlopen staat op 9.58 seconden!

Het snelste vervoermiddel dat de kruisvaarders in de 13e eeuw kennen is het paard. En de gemiddelde snelheid van een galopperend paard ligt tussen de 40 en 48 kilometer per uur. Dat is de snelheid die goede amateurwielrenners tegenwoordig op hun zaterdagse rondje kunnen halen! Wat ik daarom veelzeggender vind, is dat de ervaren zeelieden aan boord onder ede verklaren dat zij nog nooit zo'n woedende storm hebben meegemaakt. 

Uiteindelijk komen de elementen weer tot bedaren. Nog een laatste maal zien de Friezen een vijandige kust; Ibiza. En dan bereiken ze eindelijk de veilige haven van Tortosa. Daar zullen zij de volgende keer terugkijken op hun hachelijke avontuur.


(..leek het wel of we niet zeilden maar vlogen..)

maandag 25 september 2017

14 augustus 1217 - De Straat van Gibraltar

Vanaf hun vertrek uit Lissabon zijn de Kruisvaarders nu 19 dagen onderweg en eindelijk hebben ze de wind mee:

Op de derde dag (14 augustus) hesen we dan de zeilen en voeren omstreeks zonsondergang op dezelfde dag de woeste zeeëngte binnen, waar men links en rechts zonder moeite Europa en Afrika met hoog ten hemel oprijzende bergen kan zien. Daar liggen de Afrikaanse stad Mutemuda (Quasr-es-Seghir) en de Spaanse vesting Tarifa aan de westzijde van het gebergte recht tegenover elkaar, zodat het voor het scheepverkeer een zeer korte oversteek is. In het oosten ziet men de stad Ceuta in Afrika liggen, recht daartegenover ligt Malaga in Spanje.

Volgens mij is het deze maand op de kop af twintig jaar geleden dat ik deze passage voor het eerst las. Het was voor een paper bij het kernvak 'Internationale Organisaties in de Middeleeuwen'. Mijn verhaal moest gaan over de rol en positie van het Friese contingent binnen het internationale geheel van de Kruistocht. Maar wat mij na het lezen van deze passage veel meer interesseerde, was de filmische kwaliteit van het verhaal.

Nog altijd zie ik bij het lezen van dit stukje levendig voor mij hoe de kogge van onze anonieme pelgrim tegen het vallen van de avond de Straat van Gibraltar binnenvaart. Heel zakelijk wordt ons verteld welke steden links en rechts zijn te zien. Dit beeld krijgt drama als je bedenkt dat het allemaal vijandelijke steden zijn. 

Net zoals de Kruisvaarders de steden aan weerszijden zien liggen, worden zij zelf ook vanaf het land geobserveerd. Enkele dagen eerder is al een vloot van ruim tachtig schepen door de zeestraat gekomen. Dat zal de steden in staat van paraatheid gebracht hebben. En nu komt dit éne scheepje, klein en kwetsbaar voorbij. Vastberaden vaart het bij het licht van de ondergaande zon de bek van de leeuw binnen.

Dergelijke dramatische beelden waren in mijn paper niet op hun plek. In plaats daarvan gaf ik mijn werkstuk een pretentieuze ondertitel, die ik met geen mogelijkheid waar kon maken: 'Een dialoog tussen primaire en secundaire literatuur'. Dat al mijn moeite uiteindelijk niet meer dan een mager zesje verdiende, was een grote teleurstelling. Maar mijn liefde voor het verhaal bleef. 

Sindsdien heeft op de hoek van mijn werktafel altijd een stapeltje artikelen en boeken over de Kruistocht gelegen. 'Daar ga ik nog eens iets mee doen' dacht ik als ik er naar keek. En dat vertelde ik ook aan iedereen die het wilde horen.

En nu, twintig jaar later ben ik dus weer terug bij de Straat van Gibraltar. Lange tijd heb ik plannen gemaakt voor een documentaireserie over de Kruistocht; ik heb overwogen een boek te schrijven en ik heb twee verschillende versies van het stripscenario geschreven. Roelof Wijtsma heeft de hoofdpersonen Jelmer en Hendrik tot leven gewekt en momenteel werkt hij op verzoek van een uitgever aan twee proefpagina's.

De Kruisvaarders laten de Atlantische Oceaan achter zich en kijken reikhalzend uit naar wat hen op de Middellandse zee te wachten staat.

('..zodat het voor het scheepverkeer een zeer korte oversteek is.')

maandag 11 september 2017

4 tot 7 augustus 1217 - Hebzucht

Na Hairin en Rota hebben de Kruisvaarders de smaak te pakken. Nu moet Cadiz er aan geloven:

Op vrijdagmorgen (4 augustus) verlieten we de rede en wendden de steven naar het schiereiland Cadiz. Nadat we de haven waren binnengevaren, gingen we aan land in een overmoedige stemming die altijd voortkomt uit succes, en we belegerden de gelijknamige stad, die versterkt was met een muur en vele torens. Daar de bewoners naar de andere zijde van het schiereiland waren gevlucht, ontving de verlaten stad haar vijanden als troost in haar eenzaamheid. Haar gebouwen, schitterend zowel wat betreft het bouwmateriaal als de constructie, de wijngaarden en stadstuinen etcetera, namen wij voor ons; zo betraden wij wat anderen tot stand gebracht hadden; tuinen, wijnstokken, vijgenbomen en allerlei vruchtdragende bomen hakten wij om. Ook de moskee, die zó luxueus en kunstig gebouwd was dat niemand het zou geloven als het verteld werd en zó dat niemand het zou kúnnen vertellen, maakten we met de grond gelijk; het prachtige gekleurde hout, waarin bloemen waren uitgesneden, haalden we eraf om het zelf te kunnen gebruiken. We bleven daar tot maandag (7 augustus) en gaven tenslotte verzadigd van buit de overblijfselen van de stad aan de vlammen prijs.

Onze anonieme pelgrim is vrij kritisch over het optreden van zijn landgenoten. De eerder besproken aanval op Hairin was volgens hem niet het resultaat van goddelijke inspiratie, maar van Friese onstuimigheid <KLIK>. Voor een moderne lezer is dit onderscheid onbeduidend, want het resultaat blijft het zelfde. Maar voor een publiek dat heilig gelooft in de goddelijke missie van de Kruistocht, zal de boodschap ontnuchterend geweest zijn: Niet God, maar een schandelijk gebrek aan Friese discipline heeft tot de toevallige overwinning geleid!

Op gelijke wijze is hij kritisch over de inname van Cadiz. Gemakkelijk had onze informant kunnen schrijven dat de Friezen met deze aanval het voorbeeld van hun voorvaderen volgden. In 1189 hadden Friezen de stad ook al geplunderd en 'naar hun beste vermogen' verwoest. Voor 13e-eeuwse lezers zou dit een afdoende rechtvaardiging geweest zijn voor dit nieuwe brandschatten. Maar in plaats daarvan spreekt onze pelgrim van 'overmoed die voortkomt uit succes'; een bloemrijke, maar weinig verhullende manier om te zeggen dat de kruisvaarders zich laten leiden door hebzucht. Deze kritiek klinkt ook door in de rest van het verslag. 

Het beeld van een verlaten stad, die haar vijanden als troost ontvangt in haar eenzaamheid vind ik aangrijpend. De weerloze stad wordt betreden door mannen die enkel op buit belust zijn. Onze informant roemt haar schoonheid nog terwijl de plunderaars al begonnen zijn met de verwoesting. Vruchtbomen worden omgehakt en de schrijver merkt met een verwijzing naar Deutronomium 6:11 gepijnigd op dat hier het levenswerk van anderen verwoest wordt.

Dan komt de schrijver bij de moskee. Hij probeert haar luxe en schoonheid te beschrijven, maar de woorden schieten hem tekort. Bovendien bedenkt hij, terwijl het bouwwerk al vlam vat, dat toch niemand hem zou geloven als hij wél de woorden vond.  Gelukkig weet hij nog een stuk sierlijk bewerkt hout van de vlammen te redden. 

En op onbewaakte ogenblikken fantaseer ik erover hoe hij dit hout mee teruggebracht heeft naar Friesland en hoe hieruit de Hindeloper schilderkunst is ontstaan..


(13e eeuws houtsnijwerk uit Spanje of Noord-Afrika)

woensdag 6 september 2017

1 tot 3 augustsu 1217 - De plundering van Rota

De ongeplande aanval op Hairin blijkt een daverend succes. hierdoor neemt de dadendrang van de Friezen hand over hand toe:

Na deze gebeurtenissen gingen wij verder op de dag van Sint-Pietersbanden (1 augustus). We lieten steden en versterkingen van het land links liggen: Olhao, Ayamonte, Cacela, ook Saltes en het strand van Sint-Eulalie met Sevilla, en kwamen de volgende dag in Rota aan. We lieten het anker vallen en gingen aan land. Nadat de bevolking was gevlucht, gingen onze mannen de versterking binnen, verwoestten haar door plundering en brandstichting en bleven die nacht binnen de muren. Toen de meesten 's morgens met de buit naar de schepen terugkeerden en sommigen zich onvoorzichtig door de wijngaarden verspreidden in de hoop nog meer buit te kunnen vergaren, vielen de Saracenen onze mannen aan met een groot leger dat zij 's nachts op de been hadden gebracht. Nadat er aan beide zijden enkelen waren gesneuveld en nadat er hulp van de schepen was gezonden, leverden een paar van onze mannen de gehele dag strijd tegen vele Saracenen, zodanig dat er slechts enkele mannen van ons maar vele van de Moren werden gedood door bogen en blijden. 
Toen de zon reeds ten ondergang neigde, hergroepeerden de Saracenen zich, en na lang beraad vielen ze ons onder een vreselijk geschreeuw aan, alsof ze bereid waren alles op het spel te zetten. Ze werden echter dadelijk op de vlucht gedreven en kregen tot hun schande verwondingen in de rug. Toen onze mannen zich eindelijk weer naar de schepen begaven, moesten de blijdeschutters de laatste dekking geven. Daar zij na de aanval van de heidenen afgeslagen te hebben als laatsten aan boord gingen, verdienden zij de eerste en de laatste kroon. Terwijl de overwinnaars elkaar in de overwinningsvreugde lof toezwaaiden en hun eigen prestaties geringschatten, groeide zelfs bij de meest bescheiden mannen de vrijmoedigheid om te spreken.

Gedurende de hele reis is onze anonieme pelgrim steeds goed geïnformeerd over de plaatsen en plekken waar hij langs komt. Dat valt mij ook nu weer op. Samen met hem varen we langs vijandige steden aan de Portugese en Spaanse kust, die hij allen bij naam kent. Wellicht heeft hij in Lissabon informatie ingewonnen. Of misschien heeft hij aantekeningen meegebracht van een Friese landgenoot die de reis eerder al eens maakte.

Na een dag en een nacht zeilen, komt de vloot aan in Rota. De stadsbevolking lijkt zó verrast door de komst van de Kruisvaarders, dat zij geen enkel verzet biedt en hals over kop de stad uit vlucht. Vervolgens herhaalt zich het patroon van plunderen en vernielen. De hele nacht leven de plunderaars zich uit. 

's Ochtends dwalen enkele plunderaars overmoedig af van de hoofdmacht. Zij trekken de wijngaarden in en raken slaags met de Moren. Volgens onze informant gaat het om een groot leger dat 's nachts bijeen gebracht is. Maar ik denk dat hij wat overdrijft. Waarschijnlijk stuiten de Kruisvaarders gewoon op de stadsmilitie en de weerbare mannen van Rota. Deze zullen van hun eerste schrik bekomen zijn en verdedigen nu manmoedig hun overgebleven bezittingen.

De hele derde augustus staat in het teken van schermutselingen tussen zelfingenomen Kruisvaarders en wanhopige stedelingen. De kruisvaarders lijken militair superieur te zijn aan de Moren, want 'een paar' strijden de hele dag tegen 'vele'. Dit is ook wel begrijpelijk als je bedenkt dat de Kruisvaarders goed voorbereid voor oorlog op weg zijn gegaan.
Tenslotte keren alle Kruisvaarders terug naar hun schepen. Mannen met handblijden houden de Moren op een afstand, terwijl de rest aan boord gaat. Daarna kan voor de Kruisvaarders het grote opscheppen beginnen, terwijl de inwoners van Rota voorzichtig hun stad weer binnengaan om te kijken wat er is overgebleven van hun huis en haard.

(Kruisvaarders met boog en handblijden)



woensdag 30 augustus 2017

28 en 29 juli 1217 - Friese strijdlust

De Kruisvaarders liggen met hun schepen stuurloos en kwetsbaar voor de haven van Hairin (Santa Maria de Faro). Ze besluiten niet af te wachten:

Zonder talmen gingen we in kleine scheepjes aan land en we bespraken plannen om de stad te belegeren. Terwijl de meningen hierover nog verdeeld waren, hieven de Friezen tegen de avond de veldtekenen ten hemel, aangevuurd door de Geest van God of misschien wel door hun eigen onstuimigheid, en nadat ze een lied gezongen hadden waarin ze de Heilige Maagd te hulp riepen, besprongen ze dapper de in het veld gelegerde vijanden en de stad. De vijanden sloegen dadelijk op de vlucht. Toen de Friezen de poorten naderden, zagen zij een Saraceen over de muur naar beneden komen. Hij werd dadelijk gedood; één van de Friezen schoot een pijl af en klom langs hetzelfde touw over de muur, zette een vaandel boven op de toren en opende de poorten om zijn makkers binnen te laten. Na de gehele nacht geplunderd te hebben, staken zij 's morgens de stad in brand; ze brachten grote buit naar de schepen. Hoewel de nacht de hemel met zwarte wolken bedekte, beweerden toch velen dat zij in de lucht de gestalte van de Heilige Maagd hadden gezien, die hen als het ware feliciteerde met hun wraakactie. De stad was zeer goed versterkt: aan twee zijden was zij door water omgeven; verder was zij versterkt met torens en een muur die zó dik was, dat twee ruiters elkaar bovenop konden passeren. De verwoesting van deze stad bracht zoveel schrik teweeg bij de omgeving, dat niemand meer op zijn versterkingen durfde te vertrouwen.

Eerder heeft onze anonieme pelgrim verteld dat de Friezen niet meedoen met de belegering van Alcaser do Sal. Zij willen naar de wens van de Paus eerst Jeruzalem veroveren. Waarom vallen zij dan nu, na amper één dag varen Hairin aan? Ik denk dat de landing bedoeld is als een schijnbeweging, die dankzij de ongezeglijkheid en de standaard gevechtstactiek van de Friezen onbedoeld tot een overwinning leidt.

Door aan land te gaan wil de legerleiding de aandacht afleiden van de schepen die weerloos voor de haven liggen. De Kruisvaarders positioneren zich met veel aplomb; vaandels wapperen en strijdliederen klinken. Misschien wordt er zelfs wel een verdedigingswal gegraven. Alles moet de schijn wekken dat de christenen slechts de voorhoede zijn van een veel groter leger dat elk moment vanuit Lissabon kan aankomen.

Maar dat de landing slechts bluf is, gaat grotendeels voorbij aan de Friese strijders. Zij zijn georganiseerd in kleine groepjes rond hoofdelingen en vallen niet onder het commando van één bevelhebber. Hierdoor zijn zij slecht vertegenwoordigd binnen de legerleiding en niet goed op de hoogte van het plan.

Ook hebben de Friezen geen ervaring met belegeringsoorlogen. Rustig troepen opbouwen, stellingen opwerpen en afwachten is niet aan hen besteed. Thuis in Frisia vertrouwen zij juist op verrassingsaanvallen en op het schokeffect van doldrieste strijdlust. Dat doen de Friezen dus ook nu: zij heffen hun vaandels, zij zingen een lied en zij storten zich hals over kop in de strijd.

De Moorse wachtposten in het veld zijn geen partij voor dit geweld. Woest denderen de Friezen met hun lange speren en korte zwaarden door de eerste verdedigingslinie. Achter hen, probeert de legerleiding de aanval nog te stoppen. Maar de bevelen en commando's worden verkeerd begrepen en ook de rest van het Kruisleger komt in beweging.
 
Een kleine 2000 man voetvolk stormt zonder ladders of andere hulpmiddelen af op hoge, sterke stadsmuren. Zoiets kan eigenlijk alleen maar uitlopen op een mislukking. Maar op de muren staan mensen en mensen maken fouten. Waarschijnlijk is de stadspoort hermetisch afgesloten en moeten de overrompelde veldtroepen via touwen terugklimmen in de stad. En misschien klimt één van de verdedigers wel naar beneden om een gewonde kameraad te helpen. 
 
Hoe het ook zij, de Moor wordt gedood en een Fries klimt omhoog. Er breekt paniek uit en niemand bedenkt dat de klimmende man aan het touw compleet weerloos is. De verdedigers verlaten hun posities op de muur, om thuis vrouwen en kinderen en al wat hen lief is te redden. En de Fries klimt ongehinderd verder.
 
Woest brullend staat de hij uiteindelijk als een blonde duivel bovenop de muur. Hij plant er zijn vaandel en rent zonder tegenstand te treffen naar de stadspoort om zijn kameraden binnen te laten. Nu kan onder het goedkeurend oog van Maria het gruwelijke feest van plundering en vernieling kan beginnen..

(Friese strijders dragen geen helmen en zware maliënkolders, maar enkel een geschubd lederen tuniek waardoor zij sneller en wendbaarder zijn.)
 

zondag 20 augustus 2017

27 en 28 juli 1217 - Langs vijandige kusten

De eenheid is verbroken en de vloot gaat twee verschillende kanten op. De Friezen wenden de steven naar het Heilige Land.

Wij echter lieten de stad links liggen, voeren langs Cabo Sao Vicente, Ponta de Sagres, langs Alvor en Silves, steden die eens door onze landgenoten waren ingenomen, verder langs de versterkingen Almadra (Armação de Pêra) en Albufeire, en toen de wind ons in de steek liet, wierpen vijfentwintig schepen het anker uit voor de haven van de stad, die vroeger Santa Maria heette, maar nu Hairin (Santa Maria de Faro) genoemd wordt. We bleven daar die nacht liggen. 's Morgens begroetten we verheugd onze metgezellen die weer bij ons terugkeerden, nadat ze 's nachts van ons waren weggedreven. We hesen gelijk met hen de zeilen, terwijl we probeerden verder te varen, maar we werden helaas door een teleurstellende wind al spoedig gedwongen de ankers weer aan het zand toe te vertrouwen.

Onze anonieme pelgrim en zijn kameraden verlaten het veilige Lissabon. Vergeleken met wat gaat komen was hun reis tot nu toe kinderspel. Steeds is de vloot maar zo'n 3 tot 6 dagen achtereen op zee geweest en de langste etappe, van de Lauwers tot Dartmouth was 850 kilometer. Nu wacht de Friezen 1500 kilometer aan vijandelijke kusten. Tussen hier en het Catalaanse Tortosa ligt geen enkele veilige haven om water en proviand in te slaan. 

De reis begint met het ronden van twee kapen; de 75 meter hoge Cabo sao Vicente en de even indrukwekkende Ponta de Sagres. Gevaarlijk rijzen de rotsformaties op uit zee. Plantgroei is er schaars door de westenwind die hier bijna onophoudelijk van over de oceaan aan komt bulderen. Kaal en onheilspellend weerstaat het land hier de zee. 

Snel na de twee kapen komen de Friezen langs steden die zij uit verhalen van thuis kennen. Oude kruisvaarders hebben hen als kind veelvuldig vertelt over de inname van Alvor en Silves in september 1189. Nadien hebben de christenen de steden echter weer aan de Almohaden verloren. Strijdlust vult de harten van de pelgrims nu zij hun verloren erfdeel zien.

Verder gaat de reis die dag, langs de versterkte steden Armação de Pêra en Albufeire. Stralend wit liggen de vestingmuren en gebouwen van de steden in de warme middagzon. Andersom tekenen de silhouetten van de naar schatting 80 koggen onheilspellend donker af op de fel schitterende zee. Gelukkig voor de wachters op de muren en de gealarmeerde bevolking vaart de vloot door.

Maar dan verandert de wind en om niet op de kust te lopen, gooien vijfentwintig kapiteins de ankers uit voor de haven van Santa Maria de Faro. Zowel voor de kruisvaarders als voor de stad moet het een spannende nacht zijn. Beide partijen hopen dat een confrontatie achterwege blijft. De Friezen zijn door de veranderde wind stuurloos en de stad is totaal niet voorbereid op een aanval. Vanaf de muren en aan boord wordt die nacht angstvallig de wacht gehouden.

Gelukkig gaat de nacht voorbij zonder incidenten. De overige koggen voegen zich weer bij hun kameraden en bij het ochtendgloren wil de vloot weer snel verder varen. Helaas is de gunstige wind nog niet weergekeerd en teleurgesteld moet de vloot de ankers weer uitgooien.

Tachtig koggen liggen nu kwetsbaar en voor onbestemde tijd voor een vijandelijke haven. Zolang de wind niet verandert, zijn de kruisvaarders een weerloos doel. Met één roeibootje, een slingertuig en enkele kruiken brandende olie en zwavel kunnen de Moren al geweldige schade aanrichten. 

En hoe dit afloopt, vertel ik de volgende keer..

(Ik heb de razende westenwind bovenop Cabo Sao Vicente gevoeld en hoop er nog eens langs te zeilen.)

 

zondag 13 augustus 2017

27 juli 1217 - Verbroken beloften

Voor de Kruisvaarders is de dag van vertrek uit Lissabon aangebroken. Het is een pijnlijk moment.

Het leger splitste zich dus en donderdag na het feest van de heilige Jacobus (27 juli) voeren beide groepen tegelijkertijd de haven uit; de helft van de schepen wendde de steven naar het Heilige Land, de overigen begaven zich op weg om de stad Alcazar in te nemen.

Twee heerlijke zomerse weken hebben de pelgrims door de straten van Lissabon gezworven. Ze hebben de voetsporen gevolgd van landgenoten die de stad zeventig jaar eerder heroverd hebben. Ze hebben de graven van heiligen bezocht. Tijdens het warme middaguur hebben ze schaduwrijke binnenplaatsen opgezocht. Onder druivenranken en vijgenbomen hebben ze het heetst van de dag afgewacht.

De Noorderlingen zijn vertrouwd geraakt met de vreemde Moorse bouwstijl die nog overal in de stad aanwezig is. Ze hebben onbeschrijfelijke Noord-Afrikaanse smaken geproefd. En ze hebben voor het eerst moslims in levende lijve gezien; mensen die onder strenge voorwaarden en tegen betaling in Lissabon mogen blijven wonen of er voor handel worden toegelaten.  

Twee weken heeft de Kruisvaardersvloot gastvrijheid genoten in de veilige haven van Lissabon. Zieken zijn hersteld, lijnen zijn vervangen, zeilen en roeren en andere delen van de schepen zijn gerepareerd. De ruimen zitten vol vers voedsel en drinkwater en de vloot is klaar om verder te reizen.

Maar het is geen vrolijk afscheid. De stemming is bedruk en misschien zelfs wel bitter. De kruisvaarders kijken terug op twee weken vol felle discussies over het Portugese voorstel. Moest de vloot nu wel of niet in Lissabon blijven? Twee weken lang heeft de legerleiding geen eenstemmig besluit kunnen nemen. Twee weken lang hebben voor- en tegenstanders elkaar met tal van argumenten bestookt.

Nu, op 27 juli varen alle schepen uit. Maar de eenheid die twee maanden eerder in Dartmouth onder ede is gesloten, is verbroken. Het eedgenootschap dat zwoer eendrachtig op te zullen trekken naar Jeruzalem, is uiteen gevallen. En beide partijen zijn er van overtuigd dat zij het goddelijk gelijk aan hun kant hebben.

Onder leiding van abt Heribert van Werden, wenden de Friezen met tachtig schepen de steven naar het Heilige Land; het enige rechtvaardige doel van deze Kruistocht. Ondertussen trekken de graven van Holland en Wied met 100 schepen op naar Alcacer do Sal. Hun gelijk wordt luid en duidelijk verkondigd in de Rijnlandse kroniek: 'Zij kozen er daarom voor om zich in de tussentijd te wijden aan de goddelijke taak en het gebied van de vijanden van het geloof binnen te dringen, om zo vrede in dit gebied te brengen en niet nutteloos en gemakzuchtig rond te hangen als onnutte slaven'.

En beide partijen zullen door het vervolg van hun reis alleen maar gesterkt worden in hun eigen gelijk..

(Eedverbond: een verbinding tussen gelijkwaardige kameraden die zich tegenover God verplichten een gemeenschappelijk doel of elkaars belang te zullen dienen.)