Posts tonen met het label Lissabon. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Lissabon. Alle posts tonen

woensdag 20 december 2017

Omringd door martelaren

De Friezen zijn al maanden onderweg en met de winter voor de boeg, lijkt het Heilige Land nog altijd oneindig ver weg. Hoe zorgen de kruisvaarders ervoor dat ze hun einddoel tóch voor ogen houden?

Jaren geleden; in 1214 hebben de Friese pelgrims een kruistochtgelofte afgelegd. Sindsdien staat hun hele leven in het teken van de reis naar Jeruzalem en het Heilige Graf. Maar zoals altijd in het leven, zijn er ook op deze reis verleidingen. Ook een pelgrim kan afdwalen van de rechte weg.

Sommige Friezen hebben al voor vertrek van de reis afgezien. Bijvoorbeeld net als boer Godschalk hebben zij onder valse voorwendselen hun gelofte afgekocht. Anderen zijn met de Hollanders en Rijnlanders in Lissabon gebleven. En na de verovering van Alcácer do Sal houden zij het verder misschien wel voor gezien. Ook voor de pelgrims die doorvaren zijn er verleidingen:

Bij hun aankomst in Corneto kunnen de Friezen terugkijken op een zeer succesvolle reis. Zoals de paus wilde, zijn zij niet in Lissabon gebleven. Met instemming van Maria hebben ze drie Moorse steden geplunderd en verwoest. En daarna hebben ze een zeer zware en louterende tijd op zee doorgebracht. Het is heel begrijpelijk als een pelgrim nu vindt dat hij wel genoeg heeft meegemaakt. 

Je bent gehoorzaam geweest, je hebt met goddelijke steun ongelovigen bestreden en je hebt geleden. Eigenlijk heb je je kruistochtgelofte wel zo'n beetje ingelost. Je kunt de kantjes er nu verder best vanaf lopen.. Maar nog voor je twijfel echt wortel kan schieten, klinkt vanuit de wereld om je heen gelukkig een luide en duidelijke waarschuwing om je doel goed voor ogen te houden. Waar je ook kijkt, overal zie je heilige martelaren.

Op de feestdag van Sint Bartholomeüs; de apostel die levend gevild werd kom je in Barcelona aan. Je bezoekt Sint Felicianus en Sint Mendrianus in hun kerken. Zij zijn ook twee heiligen die hun geloof met de dood hebben bekocht. Op het feest van Sint Lambertus martelaar kom je aan in Villefranche-sur-Mer. En op het feest van Sint Dionysius martelaar loopt je schip de haven van Civitavecchia binnen.

Al deze mannen hebben het ultieme offer gebracht voor hun geloof. Zij zijn Christus gevolgd tot in de dood. Dus hoe zou je het ooit in je hoofd halen om te stoppen!? Natuurlijk zul je doorreizen; ook al betekent dit dat je nu eerst een winter lang in Corneto zult moeten wachten.


(13e eeuwse verbeelding van de marteldood van Sint Albanus)

 

zondag 13 augustus 2017

27 juli 1217 - Verbroken beloften

Voor de Kruisvaarders is de dag van vertrek uit Lissabon aangebroken. Het is een pijnlijk moment.

Het leger splitste zich dus en donderdag na het feest van de heilige Jacobus (27 juli) voeren beide groepen tegelijkertijd de haven uit; de helft van de schepen wendde de steven naar het Heilige Land, de overigen begaven zich op weg om de stad Alcazar in te nemen.

Twee heerlijke zomerse weken hebben de pelgrims door de straten van Lissabon gezworven. Ze hebben de voetsporen gevolgd van landgenoten die de stad zeventig jaar eerder heroverd hebben. Ze hebben de graven van heiligen bezocht. Tijdens het warme middaguur hebben ze schaduwrijke binnenplaatsen opgezocht. Onder druivenranken en vijgenbomen hebben ze het heetst van de dag afgewacht.

De Noorderlingen zijn vertrouwd geraakt met de vreemde Moorse bouwstijl die nog overal in de stad aanwezig is. Ze hebben onbeschrijfelijke Noord-Afrikaanse smaken geproefd. En ze hebben voor het eerst moslims in levende lijve gezien; mensen die onder strenge voorwaarden en tegen betaling in Lissabon mogen blijven wonen of er voor handel worden toegelaten.  

Twee weken heeft de Kruisvaardersvloot gastvrijheid genoten in de veilige haven van Lissabon. Zieken zijn hersteld, lijnen zijn vervangen, zeilen en roeren en andere delen van de schepen zijn gerepareerd. De ruimen zitten vol vers voedsel en drinkwater en de vloot is klaar om verder te reizen.

Maar het is geen vrolijk afscheid. De stemming is bedruk en misschien zelfs wel bitter. De kruisvaarders kijken terug op twee weken vol felle discussies over het Portugese voorstel. Moest de vloot nu wel of niet in Lissabon blijven? Twee weken lang heeft de legerleiding geen eenstemmig besluit kunnen nemen. Twee weken lang hebben voor- en tegenstanders elkaar met tal van argumenten bestookt.

Nu, op 27 juli varen alle schepen uit. Maar de eenheid die twee maanden eerder in Dartmouth onder ede is gesloten, is verbroken. Het eedgenootschap dat zwoer eendrachtig op te zullen trekken naar Jeruzalem, is uiteen gevallen. En beide partijen zijn er van overtuigd dat zij het goddelijk gelijk aan hun kant hebben.

Onder leiding van abt Heribert van Werden, wenden de Friezen met tachtig schepen de steven naar het Heilige Land; het enige rechtvaardige doel van deze Kruistocht. Ondertussen trekken de graven van Holland en Wied met 100 schepen op naar Alcacer do Sal. Hun gelijk wordt luid en duidelijk verkondigd in de Rijnlandse kroniek: 'Zij kozen er daarom voor om zich in de tussentijd te wijden aan de goddelijke taak en het gebied van de vijanden van het geloof binnen te dringen, om zo vrede in dit gebied te brengen en niet nutteloos en gemakzuchtig rond te hangen als onnutte slaven'.

En beide partijen zullen door het vervolg van hun reis alleen maar gesterkt worden in hun eigen gelijk..

(Eedverbond: een verbinding tussen gelijkwaardige kameraden die zich tegenover God verplichten een gemeenschappelijk doel of elkaars belang te zullen dienen.)


dinsdag 8 augustus 2017

Doelgerichte Friezen

Het voorstel van de bisschop van Lissabon om Alcácer do Sal te belegeren is aanlokkelijk. Toch gaan de Friezen er niet op in.

Een groot deel van het leger, met name de Friezen, protesteerde echter tegen dit alles, en voerde vele argumenten aan, vooral dit, dat heer Innocentius op een concilie het verzoek van diezelfde bisschop om toestemming voor het ophouden van de kruisvaarders in Spanje had afgewezen met de mededeling, dat de wraak van de Kerk bij het hoofd moet beginnen.

Het concilie waar onze anonieme pelgrim naar verwijst, is het Vierde Lateraans concilie in 1215. Tijdens die kerkvergadering presenteert paus Innocentius III zijn plannen voor de komende Kruistocht. Daarbij bepaalt hij uitdrukkelijk dat alle militaire inzet gericht zal moeten zijn op de herovering van Jeruzalem. Expedities die afwijken van dit hoofddoel vallen voortaan niet meer onder de noemer 'Kruistocht'. 

Innocentius neemt dit besluit ondermeer omdat de Kruistocht van enkele jaren eerder (1202-1204) is uitgelopen op een totaal fiasco. Bij vertrek uit Venetië is namelijk maar de helft van de verwachtte 33.500 kruisvaarders komen opdagen. Hiermee heeft de legerleiding ook de helft minder geld. Met geen mogelijkheid kan de Venetianen daarom de afgesproken 160.000 zilvermarken betaald worden voor de overtocht.

Om dit probleem op te lossen, doet de Venetiaanse doge de Kruisvaarders een voorstel: Als zij voor Venetië de concurrerende Kroatische stad Zara veroveren, zal de openstaande schuld worden kwijtgescholden. Zo gezegd, zo gedaan en Zara wordt in een recordtijd van 13 dagen verwoest en ingenomen. 

Dat de Kruisvaarders ten strijde trekken tegen -weliswaar Orthodoxe- christenen is al bedenkelijk. Maar het wordt nog erger. Eenmaal in Kroatië komen de Kruisvaarder in contact met een Byzantijnse troonpretendent. Deze vraagt om hulp in de keizerlijke opvolgingsstrijd in Constantinopel. De Kruisvaarders zullen hiervoor rijk worden beloond. Maar beloftes worden niet nagekomen en als vergelding nemen de Kruisvaarders de stad in. 

In april 1204 wordt Constantinopel drie dagen lang geplunderd. De Kruisvaarders geven zich over aan moord, roof, verkrachting, heiligschennis en vernieling. Het heilige leger begaat in naam van God de grootst mogelijke zonden tegen een christelijk broedervolk. Niemand denkt nog aan Egypte. De Vierde Kruistocht is ten einde.

Uit dit schandelijke drama heeft Innocentius lering getrokken. Bij de organisatie van de Vijfde Kruistocht besteedt hij veel aandacht aan de financiering van de reis en aan de geestelijke toewijding van de deelnemers. Niets dat kan afleiden van het hoofddoel Jeruzalem mag nog enige aandacht krijgen.

In Lissabon zijn lang niet alle Kruisvaarders zo doelgericht als de paus wel zou willen. Een deel van hen blijft om in Spanje te vechten. Dat de Friezen wel verder reizen vind ik opmerkelijk en is niet goed te verklaren. Je zou zeggen dat juist zij met hun heilige landgenoot Popte Ulvinga een goed excuus hadden om de strijd tegen de Moren aan te gaan.

Hoe het ook zij, de Friezen varen verder en daarmee begint een nieuw hoofdstuk van deze Kruischtocht.

(Innocentius III is een doelgerichte paus.)





donderdag 3 augustus 2017

Een aantrekkelijk voorstel

De pelrgims zijn onder de indruk van het prachtige Lissabon. De bisschop van de stad maakt hier dankbaar gebruik van:

Toen er dan vele schepen in de haven verzameld waren en de raad van het gehele leger met de burgers van de stad was samengekomen, hield de bisschop van de plaats een preek voor het volk, waarmee hij hen probeerde over te halen in Spanje te blijven om de vijanden van de Kerk die zich in de stad Alcazar (Alcácer do Sal) bevonden te verdrijven; hij verzekerde, dat dit nuttig en eervol zou zijn om vele redenen, zegde zijn hulp, die van zijn getrouwen en van de koning van het land toe, beloofde een zeer grote buit en toonde aan dat het oponthoud nuttig was, zelfs als er geen buit behaald zou worden, zowel vanwege de overvloed aan koopwaar ter plaatse als vanwege het oponthoud van de koningen en vorsten, die dat jaar niet zouden oversteken. Hij voegde daar nog vele argumenten van dezelfde strekking aan toe.

De bijeenkomst van de legerleiding met de bisschop en de burgers van de stad lijkt een standaard beleefdheidsbezoek te worden. Maar dan blijkt ineens dat er ook andere hoogwaardigheidsbekleders aanwezig zijn. 
 
Ten eerste is daar Abt Pedro Egas, die uit Sao Martinho do Porto is overgekomen. Gelijk na het vertrek van de Friezen is hij spoorslag vanuit zijn uithof afgereisd naar Lissabon. Zijn verhalen over de Moorse agressie en de goddelijke wonderen in Marokko liggen de mannen nog vers in het geheugen.
 
Ook is daar de in ballingschap levende bisschop Soeiro van Évora. Zijn stad ligt in Moors gebied en hij vertelt dramatische verhalen over de verdrukking van de christenen. Ik stel mij voor hoe hij dit doet terwijl de tranen hem over de wangen stromen. Hij laat met veel gevoel voor drama zien hoe machteloos hij zich voelt, nu hij als herder niets kan doen voor zijn in nood verkerende kudde.
 
En dan zijn daar nog de commandeurs van drie ridderorden; de Tempeliers, de Johannieters en de ridders van Santiago. Deze strijdlustige priestermonniken vechten in Spanje tegen de moslims en zij vertellen honderduit over hun heroïsche confrontaties met de vijand.
 
Al deze mannen staan met hun verhalen als het ware in het voorprogramma van de gastheer, de bisschop van Lissabon. Zijn toespraak lijkt eerst een gewone preek te worden, maar al snel doet hij een onomwonden oproep aan de Noordelingen om in Spanje deel te gaan nemen aan de Reconquista. 
 
Eerst roept de bisschop zijn gasten in herinnering hoe hun voorvaderen in 1147 heldhaftig en succesvol gestreden hebben in Lissabon. Hij herinnert hen er aan hoe vele Noorderlingen toen de kroon der martelaren verworven hebben. En natuurlijk wenst de bisschop zijn gasten een even glorierijk succes tijdens hun eigen Kruistocht.
 
Maar wat jammer nu, dat de hele kruistocht zo'n vertraging dreigt op te lopen, doordat de vorsten uit de rest van Europa dit jaar niet meer zullen oversteken naar Akko in Palestina. Bovendien is het vaarseizoen al ver gevorderd en eigenlijk is het niet meer veilig om nu nog de lange reis langs de vijandige kusten van Zuid Spanje te ondernemen. De zee wordt met de dag ruiger en er zal veel tegenwind zijn.
 
Dus waarom blijven de dappere strijders uit het Noorden deze winter niet liever in Lissabon? De haven is ruim en veilig en de stad mooi en welvarend. Bovendien doet zich een uitgelezen kans voor om wat aan militaire training te doen. Zeventig kilometer verderop ligt het vijandige en strategisch belangrijke Alcácer do Sal klaar om belegerd te worden. En uiteraard zal de buit voor de Kruisvaarders zijn.
 
Dit laatste is niet alleen aanlokkelijk voor de hebzuchtigen onder de Kruisvaarders. Iedereen weet hoe duur de reis is. Telkens moeten nieuwe kosten gemaakt worden voor voedsel en drinken. De loyaliteit van manschappen en zeelieden is gekocht en moet steeds met schenkingen bekrachtigd worden. En reparaties aan schepen zijn vaak nodig en peperduur.

Je zou dus als Kruisvaarder wel gek zijn, als je geen gehoor gaf aan het voorstel van de bisschop! Maar wie dat denkt, kent de Friezen nog niet.. Daarover gaat de volgende post.

(Nog altijd wordt de vesting van Alcáser do Sal gepresenteerd als een aanlokkelijk reisdoel)


zondag 30 juli 2017

Navigeren op de Taag

Na de enthousiaste beschrijving van Lissabon en het graf van heer Popte Ulvinga, krijgen we nu aanwijzingen voor het binnenvaren van de baai van Lissabon:

De rivier de Taag, die naar het zuiden stroomt en uitloopt in een brede baai, biedt een zeer veilige ligplaats aan ontelbare schepen. Vermeld moet worden dat de schepen die de haven binnen willen varen, het veiligst langs de linkeroever kunnen tot zij in de monding van de rivier gekomen zijn; dan moeten ze opvaren naar de berg aan de andere oever, net zo lang totdat zij de rots van ongeveer vijftig el gepasseerd zijn die aan hun linkerzijde onder water ligt.

Onze anonieme pelgrim heeft in zijn reisverslag veel aandacht voor de havens die de vloot aandoet. Dat is heel begrijpelijk. Koggen zijn ter nauwer nood zeewaardig en er is steeds maar voor een paar dagen water aan boord. Bovendien kennen Europeanen in de 13e eeuw nog geen kompas. De reis gaat daarom steeds dicht langs de kust. En dat is nu juist de meest gevaarlijke plek voor een schip. Veranderende wind en verraderlijke rotsen kunnen ieder moment de meest rampzalige gevolgen hebben.

Bij het binnenlopen van een haven is dit risico nog eens extra groot. Onvoldoende kennis van de situatie ter plaatse of één verkeerde manoeuvre is voldoende om ernstige averij op te lopen. Dit is al duidelijk gebleken bij het verlaten van A Coruña en bij het binnenlopen van Oporto. Daarom deelt onze informant zijn kennis over de baai van Lissabon graag met zijn lezers.

Dat zoveel mogelijk de linker oever gevolgd wordt, is heel begrijpelijk. De rechter oever is immers nog in handen van de moslims en geen christen wil daar per ongeluk vast komen te liggen met zijn schip. 

Bij de monding van de rivier moet de veilige oever voor korte tijd verlaten worden om een ondiepte te omzeilen. Welke berg de zeelieden daarbij voor ogen moeten houden, is niet duidelijk. Wie vandaag de dag in Lissabon op de linker oever staat, ziet aan de overkant heuvels liggen die allemaal ongeveer even hoog zijn.

Ook de rots van vijftig el is niet meer in de Taag te vinden. Waarschijnlijk is de bedoelde rots het eilandje waarop tussen 1515 en 1521 de 'Torre de Belém' is gebouwd. Deze toren is weliswaar nog altijd te bewonderen, maar ligt beslist niet meer midden in de rivier. De aardbeving van 1755 heeft in Portugal niet alleen ongekende verwoesting aangericht, maar heeft ook de loop van de Taag gewijzigd. De toren ligt nu zo goed als aan de wal.

Na het passeren van de rots, worden de Friese pelgrims herenigd met de rest van de vloot, van wie zij enkele dagen eerder bij Porto gescheiden waren. Maar van eensgezindheid is plotseling geen sprake meer. Daarover vertel ik de volgende keer..

(Een inspringing van de kade moet voorkomen dat de Torre de Belém aan land komt.)

donderdag 27 juli 2017

De heilige Popte Ulvinga

Voor de Friese pelgrims is Lissabon niet zomaar een vreemde stad ver van huis. Zij hebben er iets te zoeken:

In het oosten, buiten de stad, bevindt zich een eerbiedwaardig klooster, waar een palm wordt getoond, die zich prachtig verheft boven het graf van heer Popte Ulvinga, een martelaar voor Christus, die daar zeventig jaar geleden onder de naam Hendrik als aanvoerder van een christelijk leger met zijn wapendrager het leven liet in Christus. Hij verheugt zich nu, door goddelijke openbaring heilig verklaard, in tijdelijke en eeuwige eer.

De Friese pelgrims gaan op bezoek bij een oude bekende van hen: heer Popte Ulvinga. Geen van hen heeft Popte ooit ontmoet. Hij is al zeventig jaar dood, maar zij kennen hem van verhalen die thuis in Friesland over hem verteld worden.

Uit het verslag van onze anonieme pelgrim blijkt dat Popte in 1147 tijdens de Tweede Kruistocht is meegekomen met de noordelijke vloot naar Lissabon. Eigenlijk was hij met de andere kruisvaarders op weg naar Jeruzalem. Maar onderweg hebben zij zich door Alfons I laten overhalen hem te helpen bij de belegering van Lissabon. Tijdens deze belegering sneuvelt Popte en hij wordt aan de oostkant van de stad, waar later het klooster van Sao Vicente gesticht wordt begraven op een geïmproviseerde begraafplaats.

Pelgrims brengen gewoonlijk een palmtak mee terug uit Jeruzalem. Omdat Popte Jeruzalem niet bereikt heeft, wordt hem een palmtak in het graf meegegeven. Korte tijd later schiet de tak wortel en groeit er een jonge palmboom uit Poptes graf. Er gebeuren wonderen en voor iedere 12e en 13e-eeuwse gelovige is het duidelijk: Popte is een heilige.

In Portugal wordt het verhaal ook, maar iets gedetailleerder verteld. In 1188 schrijft een kanunnik er over in de stichtingsgeschiedenis van zijn klooster: Na de verovering van de stad heeft de palmridder dorst. Hij gaat met zijn wapendrager naar een bron, maar beiden worden daar door een sluipschutter gedood. En de palm op het graf wordt al snel door gelovigen kaal geplukt vanwege de beweerde geneeskrachtige werking van de bladeren.
 
Voor Friezen die op zoek gaan naar hun heilige landgenoot, levert het Portugese verhaal twee problemen op: In Lissabon wordt niet de Friese Popte, maar Hendrik uit Bonn vereerd. En de palm die op zijn graf gestaan heeft, is volgens de Portugese bron al voor 1217 helemaal kaal geplukt en van het graf verdwenen.

Om deze twee verhalen met elkaar te rijmen, valt niet mee. Onze pelgrim doet nog wel een poging door te stellen dat Popte zijn naam in Lissabon veranderd heeft in Hendrik. En wellicht is de Friezen in het klooster gewoon een recent geplante palm getoond. 
 
Hoe het ook zij. Gezien het zorgvuldige en betrouwbare karakter van ons reisverslag, is het aannemelijk dat er in 1147 een Friese Popte Ulvinga bij Lissabon gesneuveld is. En wanneer ik eens naar Lissabon ga, wil ik langs de Rua da Palma lopen en zal ook ik de Anthoniuskapel in de Sao Vicente de Fora bezoeken.
 
(De herinneringssteen en een viering daarbij in de Anthoniuskapel van de Sao Vicente de Fora)

zondag 23 juli 2017

Lissabon II

In Lissabon brengen de Friese Kruisvaarders een bezoek aan Sint Vincentius.

Daar ziet men een in een opmerkelijke stijl gebouwde, aan de Heilige Maagd gewijde kerk, waarin in een zilveren sarcofaag het lichaam van de heilige martelaar Vincentius berust.

Onze anonieme pelgrim kijkt zijn ogen uit. Eerst heeft hij zijn aandacht gericht op de bisschoppelijke paleizen en het 'glooiend afdalende' lichaam van de stad. Nu bezoekt hij een kerk, die volgens onze informant in een 'opmerkelijke stijl' gebouwd is.
De bedoelde kerk is de kathedraal van Lissabon, die in 1217 spiksplinternieuw boven de omliggende bebouwing uittorent. De bouw van de kerk is begonnen, gelijk na de herovering van de stad door Alfons I in 1147, op de plek van een voormalige moskee. Nu, zeventig jaar later bezoeken de Friese pelgrims de kerk die nét af is, of waar nog juist de laatste hand aan wordt gelegd. 

De massieve romaanse stijl van de kerk zal de Friezen zonder meer bekend voorkomen. Wat voor hen echter opmerkelijk is, is de versiering die duidelijk getuigt van Moorse invloeden. Ook in de rest van de stad zal de Moorse cultuur nog op iedere straathoek naklinken. Maar daar horen we onze pelgrim niet over. Hij vertelt liever over sint Vincentius.

Vincentius is de eerste Spaanse martelaar. Hij is rond het jaar 304 de marteldood gestorven, onder keizer Diocletianus. Vincentius weigerde de Heilige Schrift in het vuur te gooien en werd daarop verschrikkelijk gemarteld. Uiteindelijk bezweek hij aan zijn verwondingen en werd zijn lichaam in zee geworpen. 

Vincentius' lichaam spoelde aan bij de kaap die nu naar hem Cabo de Sao Vicente heet en daar ontfermden raven zich over hem. Zij zorgden er voor dat andere aaseters het lichaam niet verscheurden. Ook toen Vincentius' volgelingen hem hadden begraven en een kapel op zijn graf gebouwd hadden, bleven de raven door alle eeuwen heen de wacht houden bij de heilige martelaar.

Uiteindelijk liet koning Alfons de heilige in 1173 opgraven en -nog steeds onder escorte van de raven- overbrengen naar Lissabon. Eerst kreeg Vincentius in zijn zilveren sarcofaag een plek in de kathedraal in aanbouw. En dat is waar de Friezen hem bezoeken. Later wordt Vincentius overgebracht naar een klooster even buiten de stadsmuren, dat dan heel toepasselijk Sao Vicente de Fora gaat heten. 

Maar in 1217 staat in dat klooster nog een heel andere heilige; een Friese heilige centraal. Over hem zullen we de volgende keer lezen.

(Het wapen van Lissabon verbeeldt de overbrenging van het lichaam van Sint Vincentius.)



 

zondag 16 juli 2017

14 juli 1217 - Lissabon

Eindelijk komen de pelgrims aan in Lissabon. De Noordelingen zijn onder de indruk van de stad en onze anonieme pelgrim neemt de tijd om alles zorgvuldig te beschrijven. Vandaag het eerste deel:

Nadat we dit en nog andere verhalen gehoord hadden, verlieten we de haven van Salir (Sao Martinho do Porto) weer, op dinsdag na het feest van Alexander martelaar (11 juli), en we bereikten de vrijdag daarop (14juli) Lissabon. Over de ligging van de stad voegen wij nu een uitwijding in, die niet alleen nuttig is maar ook gegevens bevat die aardig zijn om te weten.
Lissabon is een stad in Spanje, op de grens tussen de heidenen en de Kerk; volgens een oude gewoonte is ze gelegen op een berg. Ze is gesticht door Odysseus en Achilles, hetgeen blijkt uit de oude gebouwen die "Oude Torens" genoemd worden en uit de daarbij liggende stadswijk die Achele (Chelas) heet, naar Achilles. Het hoofd van deze stad, geheel omgeven door een muur en hoge torens, bekroont op schitterende wijze de top van de berg, waar zich het woon- en werkpaleis van de bisschop bevinden. Het lichaam van de stad, dat glooiend afdaalt van de berg tot aan het water van de rivier, wordt aan de zuidzijde omgeven door een muur en torens.

Dankzij de verhalen van de abt van Alcobaça hebben de pelgrims weer helder voor ogen waarom zij ook al weer op Kruistocht gegaan zijn. Zij moeten de ongelovigen bestrijden! En nu na een reis van anderhalve maand, komen de pelgrims op de grens van het christendom en de islam. Deze grens is niet alleen een cultureel concept. Varend over de Taag is de grens een fysieke realiteit.

Ik stel mij voor dat de pelgrims in de late namiddag op Lissabon komen aanvaren. De bisschoppelijke paleizen blinken in de zon, terwijl de rest van de stad vanaf de heuvel neer golft richting de rivier. Wat een gezicht! Dit is werkelijk een klassieke stad in elk opzicht. Dat moet ook wel, want niemand minder dan Odysseus heeft immers samen met Achilles Lissabon gesticht. De Griekse historicus Strabo wist dit al in de eerste eeuw na Christus. En ook onze anonieme pelgrim herkent in de naam Ulixibona onmiddellijk Odysseus' Latijnse naam 'Ulixes'. En dan zijn er ook nog de oude gebouwen, die het verhaal van de stadstichting bevestigen.

Dat is bakboord. Aan stuurboord is het beeld heel anders. Daar wonen de Moren! De Saracenen! De Turken! De Babyloniërs! De Ongelovigen! En wat zien de pelgrims daar? Niks. Ze zien een uitgestrekte baai met aan de horizon enkele vage heuvels. Daar ligt geen stad en er is geen mens te zien. Het land van de heidenen ligt er woest en ledig bij. 
 
Gesterkt door dit geweldige contrast tussen de (bijna) hemelse stad en de voorwereldlijke leegte aan de overkant, gaan de kruisvaarders voor anker.


(De bisschoppelijke paleizen zijn in 1505 inmiddels koninklijk.)

zaterdag 20 september 2014

Herfst in Lissabon

Wanneer ik me langere tijd met een historisch onderwerp bezig houdt, dan zal ik me er vroeg of laat mee gaan identificeren. In Bedum en Surhuizum heb ik Olivier van Keulen horen preken en aan de Zuidhollandse kust zie ik regelmatig een vloot koggen voorbijvaren. 

Op 18 augustus 1217 komen de Friezen aan in Tortosa, tussen València en Barcelona. Na Lissabon hebben ze uitsluitend langs vijandelijke kusten gevaren en nu laten ze eindelijk het gevaarlijkste deel van hun reis achter zich. Vanaf hier kunnen ze weer vrij iedere haven binnen varen om water, voedsel en andere benodigdheden in te slaan. In de buurt van Toulon nemen de pelgrims twee weken rust, om weer op krachten te komen. En op 17 september is de Friese vloot in de buurt van Nice. Op hun gemak varen de pelgrims verder en op 9 oktober gaat Hendrik -de schrijver van de reisverslag- met zijn reisgenoten voor anker in het Italiaanse Corneto. Daar zullen ze overwinteren. Een periode van rust, voldoende eten en toeristische uitstapjes staat hen te wachten. De ontberingen die achter hen liggen en de avonturen die nog op hen wachten, lijken de komende maanden oneindig ver weg. En dít is het punt waar ik in het verhaal even afhaak. 
Voor mij zijn september en oktober juist een periode van urgentie en dadendrang. Iedere mooie dag kan voorlopig de laatste zijn. Niets mag ongemerkt voorbij gaan. Op nevelige ochtenden wordt ik geroepen door onbekende verten. Voorbij de horizon liggen nog avonturen op me te wachten. Voor je het weet is het te laat en trekt de winter zijn deken van koude en duisternis over ons. Ik wil doorgaan!

Maar is dit allemaal wel waar? Wil ik wérkelijk verder reizen dan mijn 13e eeuwse reisgenoten? Misschien is het wel juist andersom: Ik heb besloten om in Lissabon achter te blijven, terwijl de Friese pelgrims het avontuur zijn aangegaan. Nu sta ik op een verlaten kade en ik weet dat het vaarseizoen voorbij is. De Straat van Gibraltar zal ik dit jaar met geen mogelijkheid meer kunnen passeren.  

(Gezicht op Lissabon van kort na 1500.)

dinsdag 4 maart 2014

Op de grens

Ik stel me voor hoe de Kruisvaarders in de zomer van 1217 door Lissabon lopen, met hun pelgrimsstaf en blote benen. Ze zingen kruistochtliederen en ze spreken steeds over Jeruzalem en over hoe ze de ongelovigen eens eventjes mores zullen leren.

Sinds 1147 ligt Lissabon op de grens tussen Moslims en Christenen; de Taag is de scheidslijn en de pelgrims kijken hun ogen uit. Overal in de stad is nog Moorse architectuur te zien en bij de haven is een aparte wijk voor Moorse en Joodse handelaren. De bisschop wil de Kruisvaarders het liefste in Lissabon houden, om met hen tegen een naburige Moorse stad op te trekken. Maar een groot deel van de Noorderlingen wil liever verder varen. Daarom heeft de bisschop alle lokale schippers verboden om ook maar íets te zeggen over de route door de Straat van Gibraltar. De toegang tot de Middellandse Zee blijft hermetisch gesloten. Maar dan komt één van de Kruisvaarders in contact met een oude Moorse handelaar. De grijsaard heeft in zijn jeugd veel gereisd langs de zuidkust van het Iberisch Schiereiland en hij vertelt de pelgrims maar wat graag hoe ze verder moeten. 

Enkele dagen later vaart de Kruisvaardersvloot weer uit, op weg naar vijandige kusten. En op de kade staat de oude handelaar. Wanneer de schepen verdwenen zijn, keert hij huiswaarts. Onderweg groet hij een Joodse zakenrelatie en nog een paar Christelijke klanten. Allen zijn ze blij dat die onrust stokende Noorderlingen weer verder getrokken zijn. 

Straat van Gibraltar, door de 16e eeuwse Turkse cartograaf Piri Reis