Posts tonen met het label 1147. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1147. Alle posts tonen

donderdag 3 augustus 2017

Een aantrekkelijk voorstel

De pelrgims zijn onder de indruk van het prachtige Lissabon. De bisschop van de stad maakt hier dankbaar gebruik van:

Toen er dan vele schepen in de haven verzameld waren en de raad van het gehele leger met de burgers van de stad was samengekomen, hield de bisschop van de plaats een preek voor het volk, waarmee hij hen probeerde over te halen in Spanje te blijven om de vijanden van de Kerk die zich in de stad Alcazar (Alcácer do Sal) bevonden te verdrijven; hij verzekerde, dat dit nuttig en eervol zou zijn om vele redenen, zegde zijn hulp, die van zijn getrouwen en van de koning van het land toe, beloofde een zeer grote buit en toonde aan dat het oponthoud nuttig was, zelfs als er geen buit behaald zou worden, zowel vanwege de overvloed aan koopwaar ter plaatse als vanwege het oponthoud van de koningen en vorsten, die dat jaar niet zouden oversteken. Hij voegde daar nog vele argumenten van dezelfde strekking aan toe.

De bijeenkomst van de legerleiding met de bisschop en de burgers van de stad lijkt een standaard beleefdheidsbezoek te worden. Maar dan blijkt ineens dat er ook andere hoogwaardigheidsbekleders aanwezig zijn. 
 
Ten eerste is daar Abt Pedro Egas, die uit Sao Martinho do Porto is overgekomen. Gelijk na het vertrek van de Friezen is hij spoorslag vanuit zijn uithof afgereisd naar Lissabon. Zijn verhalen over de Moorse agressie en de goddelijke wonderen in Marokko liggen de mannen nog vers in het geheugen.
 
Ook is daar de in ballingschap levende bisschop Soeiro van Évora. Zijn stad ligt in Moors gebied en hij vertelt dramatische verhalen over de verdrukking van de christenen. Ik stel mij voor hoe hij dit doet terwijl de tranen hem over de wangen stromen. Hij laat met veel gevoel voor drama zien hoe machteloos hij zich voelt, nu hij als herder niets kan doen voor zijn in nood verkerende kudde.
 
En dan zijn daar nog de commandeurs van drie ridderorden; de Tempeliers, de Johannieters en de ridders van Santiago. Deze strijdlustige priestermonniken vechten in Spanje tegen de moslims en zij vertellen honderduit over hun heroïsche confrontaties met de vijand.
 
Al deze mannen staan met hun verhalen als het ware in het voorprogramma van de gastheer, de bisschop van Lissabon. Zijn toespraak lijkt eerst een gewone preek te worden, maar al snel doet hij een onomwonden oproep aan de Noordelingen om in Spanje deel te gaan nemen aan de Reconquista. 
 
Eerst roept de bisschop zijn gasten in herinnering hoe hun voorvaderen in 1147 heldhaftig en succesvol gestreden hebben in Lissabon. Hij herinnert hen er aan hoe vele Noorderlingen toen de kroon der martelaren verworven hebben. En natuurlijk wenst de bisschop zijn gasten een even glorierijk succes tijdens hun eigen Kruistocht.
 
Maar wat jammer nu, dat de hele kruistocht zo'n vertraging dreigt op te lopen, doordat de vorsten uit de rest van Europa dit jaar niet meer zullen oversteken naar Akko in Palestina. Bovendien is het vaarseizoen al ver gevorderd en eigenlijk is het niet meer veilig om nu nog de lange reis langs de vijandige kusten van Zuid Spanje te ondernemen. De zee wordt met de dag ruiger en er zal veel tegenwind zijn.
 
Dus waarom blijven de dappere strijders uit het Noorden deze winter niet liever in Lissabon? De haven is ruim en veilig en de stad mooi en welvarend. Bovendien doet zich een uitgelezen kans voor om wat aan militaire training te doen. Zeventig kilometer verderop ligt het vijandige en strategisch belangrijke Alcácer do Sal klaar om belegerd te worden. En uiteraard zal de buit voor de Kruisvaarders zijn.
 
Dit laatste is niet alleen aanlokkelijk voor de hebzuchtigen onder de Kruisvaarders. Iedereen weet hoe duur de reis is. Telkens moeten nieuwe kosten gemaakt worden voor voedsel en drinken. De loyaliteit van manschappen en zeelieden is gekocht en moet steeds met schenkingen bekrachtigd worden. En reparaties aan schepen zijn vaak nodig en peperduur.

Je zou dus als Kruisvaarder wel gek zijn, als je geen gehoor gaf aan het voorstel van de bisschop! Maar wie dat denkt, kent de Friezen nog niet.. Daarover gaat de volgende post.

(Nog altijd wordt de vesting van Alcáser do Sal gepresenteerd als een aanlokkelijk reisdoel)


donderdag 27 juli 2017

De heilige Popte Ulvinga

Voor de Friese pelgrims is Lissabon niet zomaar een vreemde stad ver van huis. Zij hebben er iets te zoeken:

In het oosten, buiten de stad, bevindt zich een eerbiedwaardig klooster, waar een palm wordt getoond, die zich prachtig verheft boven het graf van heer Popte Ulvinga, een martelaar voor Christus, die daar zeventig jaar geleden onder de naam Hendrik als aanvoerder van een christelijk leger met zijn wapendrager het leven liet in Christus. Hij verheugt zich nu, door goddelijke openbaring heilig verklaard, in tijdelijke en eeuwige eer.

De Friese pelgrims gaan op bezoek bij een oude bekende van hen: heer Popte Ulvinga. Geen van hen heeft Popte ooit ontmoet. Hij is al zeventig jaar dood, maar zij kennen hem van verhalen die thuis in Friesland over hem verteld worden.

Uit het verslag van onze anonieme pelgrim blijkt dat Popte in 1147 tijdens de Tweede Kruistocht is meegekomen met de noordelijke vloot naar Lissabon. Eigenlijk was hij met de andere kruisvaarders op weg naar Jeruzalem. Maar onderweg hebben zij zich door Alfons I laten overhalen hem te helpen bij de belegering van Lissabon. Tijdens deze belegering sneuvelt Popte en hij wordt aan de oostkant van de stad, waar later het klooster van Sao Vicente gesticht wordt begraven op een geïmproviseerde begraafplaats.

Pelgrims brengen gewoonlijk een palmtak mee terug uit Jeruzalem. Omdat Popte Jeruzalem niet bereikt heeft, wordt hem een palmtak in het graf meegegeven. Korte tijd later schiet de tak wortel en groeit er een jonge palmboom uit Poptes graf. Er gebeuren wonderen en voor iedere 12e en 13e-eeuwse gelovige is het duidelijk: Popte is een heilige.

In Portugal wordt het verhaal ook, maar iets gedetailleerder verteld. In 1188 schrijft een kanunnik er over in de stichtingsgeschiedenis van zijn klooster: Na de verovering van de stad heeft de palmridder dorst. Hij gaat met zijn wapendrager naar een bron, maar beiden worden daar door een sluipschutter gedood. En de palm op het graf wordt al snel door gelovigen kaal geplukt vanwege de beweerde geneeskrachtige werking van de bladeren.
 
Voor Friezen die op zoek gaan naar hun heilige landgenoot, levert het Portugese verhaal twee problemen op: In Lissabon wordt niet de Friese Popte, maar Hendrik uit Bonn vereerd. En de palm die op zijn graf gestaan heeft, is volgens de Portugese bron al voor 1217 helemaal kaal geplukt en van het graf verdwenen.

Om deze twee verhalen met elkaar te rijmen, valt niet mee. Onze pelgrim doet nog wel een poging door te stellen dat Popte zijn naam in Lissabon veranderd heeft in Hendrik. En wellicht is de Friezen in het klooster gewoon een recent geplante palm getoond. 
 
Hoe het ook zij. Gezien het zorgvuldige en betrouwbare karakter van ons reisverslag, is het aannemelijk dat er in 1147 een Friese Popte Ulvinga bij Lissabon gesneuveld is. En wanneer ik eens naar Lissabon ga, wil ik langs de Rua da Palma lopen en zal ook ik de Anthoniuskapel in de Sao Vicente de Fora bezoeken.
 
(De herinneringssteen en een viering daarbij in de Anthoniuskapel van de Sao Vicente de Fora)

dinsdag 13 juni 2017

2 en 3 juni 1217 - De Kruisvaarderswet

De Friese pelgrims zijn uitgevaren. Vanaf de Lauwers varen zij tussen Ameland en Schiermonnikoog door richting de Noordzee. Op de derde dag zien zij Engeland liggen. Ik ben in de achtervolging:

We hielden het (Engeland) in het zicht aan onze rechterhand en bereikten een eiland dat Wight genoemd wordt; het is weliswaar bij hoge zee van Engeland gescheiden, maar het is wel gehoorzaamheid aan Engeland verschuldigd.
De volgende dag, een zaterdag (3 juni), kwamen wij in Dartmouth aan, waar de haven, die gelegen is tussen twee hoge bergen, ons in haar beschutting opnam. Wij troffen daar de graaf van Holland en de graaf van Wied aan, die met vele edelen op 212 schepen waren aangekomen. Nadat daar in verstandig overleg de regels die in het leger zouden gelden, waren afgesproken, en ook alles betreffende het zielenheil en de vrede ordelijk was geregeld, werd de graaf van Wied tot bevelhebber over de voorhoede van de totale vloot gekozen; de leiding van de achterhoede werd opgedragen aan de graaf van Holland, die door het hele leger reeds tot opperbevelhebber was  gekozen.

Net als in 1147 tijdens de Tweede Kruistocht, verzamelen de Noord-Europese kruisvaarders zich in Dartmouth. Van daar zullen de Friezen, Hollanders, Rijnlanders en Engelsen gezamenlijk optrekken. Daarom krijgt de vloot een opperbevelhebber; graaf Willem I van Holland. Dit mag best opmerkelijk heten, want kort daarvoor is Willem nog door de paus geëxcommuniceerd vanwege zijn steun aan de Fransen in een conflict met de Engelse koning. Hieruit blijkt maar hoe belangrijk men een Kruistocht vindt. Wereldse geschillen worden bijgelegd en kerkelijke straffen worden opgeheven, zodat zo veel mogelijk edelen op Kruistocht te kunnen gaan.
Tijdens de rest van de expeditie wordt nauwelijks meer iets van Willen vernomen. Hij heeft zich tijdens de Kruistocht niet echt weten te onderscheiden. 

Ook wordt in Dartmouth een aantal regels van kracht om de orde op de schepen te handhaven. Onze anonieme pelgrim vertelt niet welke regels dit zijn, maar ze zullen niet veel verschild hebben van verordeningen uit 1147 en 1190:
 
-Ieder schip is als een parochie.
-Op ieder schip moet een priester meevaren. 
-Pelgrims moeten wekelijks biechten  en op zondag naar de mis gaan.
-Pelgrims mogen geen dure of opzichtige kleding dragen. 
-Wie een mede pelgrim doodt, wordt aan het lijk gebonden en overboord gegooid.
-Wie een pelgrim verwondt wordt een hand afgekapt 
-Wie een ander slaat, wordt driemaal in zee ondergedompeld. 
-Vloeken en schelden wordt beboet.
-Dieven worden met pek en veren overdekt en zo snel mogelijk aan land gezet.
-Heren mogen geen manschappen van een ander in dienst nemen.
-Eventuele buit wordt verdeeld over alle pelgrims.

Uit deze regels blijkt wel dat de onderneming bepaald geen plezierreisje is. Het is een vrome en ernstige aangelegenheid. En dat ook God er zo over denkt, zal morgen blijken wanneer de vloot weer uitvaart..

(Dartmouth in de eerste helft van de 16e eeuw)




dinsdag 4 maart 2014

Op de grens

Ik stel me voor hoe de Kruisvaarders in de zomer van 1217 door Lissabon lopen, met hun pelgrimsstaf en blote benen. Ze zingen kruistochtliederen en ze spreken steeds over Jeruzalem en over hoe ze de ongelovigen eens eventjes mores zullen leren.

Sinds 1147 ligt Lissabon op de grens tussen Moslims en Christenen; de Taag is de scheidslijn en de pelgrims kijken hun ogen uit. Overal in de stad is nog Moorse architectuur te zien en bij de haven is een aparte wijk voor Moorse en Joodse handelaren. De bisschop wil de Kruisvaarders het liefste in Lissabon houden, om met hen tegen een naburige Moorse stad op te trekken. Maar een groot deel van de Noorderlingen wil liever verder varen. Daarom heeft de bisschop alle lokale schippers verboden om ook maar íets te zeggen over de route door de Straat van Gibraltar. De toegang tot de Middellandse Zee blijft hermetisch gesloten. Maar dan komt één van de Kruisvaarders in contact met een oude Moorse handelaar. De grijsaard heeft in zijn jeugd veel gereisd langs de zuidkust van het Iberisch Schiereiland en hij vertelt de pelgrims maar wat graag hoe ze verder moeten. 

Enkele dagen later vaart de Kruisvaardersvloot weer uit, op weg naar vijandige kusten. En op de kade staat de oude handelaar. Wanneer de schepen verdwenen zijn, keert hij huiswaarts. Onderweg groet hij een Joodse zakenrelatie en nog een paar Christelijke klanten. Allen zijn ze blij dat die onrust stokende Noorderlingen weer verder getrokken zijn. 

Straat van Gibraltar, door de 16e eeuwse Turkse cartograaf Piri Reis