Posts tonen met het label Jelmer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jelmer. Alle posts tonen

zondag 1 oktober 2017

Hairin in beeld

Ruim een jaar geleden schreef ik onderstaande passage. Het speelt zich af in Damiate, waar de legerleiding in een heftige discussie verwikkeld is met Jelmer en Hendrik. De legerleiding ziet niet in waarom zij moet luisteren naar het plan van een paar strijders die niet eens een titel of een heraldisch wapen dragen. Dan herinnert Jelmer hen aan een belangrijk wapenfeit:

Jelmer en Hendrik zijn vol in beeld. Ze staan op het punt om te ontploffen. Ondertussen gaat Grootmeester Gerard uitdagend door: "Sinds wanneer hebben heikneuters verstand van fortificaties!? Die toren is geen terp waar je zomaar bij op wandelt!"
Voor de Friezen is het kookpunt bereikt. Jelmer barst als eerste. Hij slaat met zijn hand op tafel: "Nou is het genoeg!" en Hendrik valt bij: "Ik wil dit praat niet meer horen!"
Gerard en de rest van het gezelschap luisteren en kijken verbluft naar de uitval van de Friezen. Jelmer gaat boos en beledigd verder: "Ons beledigen en kleineren! ..Wat denkt de eerwaardige meester Gerard wel niet!?" 
Hendrik vult aan: "Is hij soms vergeten wat er na ons vertrek uit Lissabon gebeurde, toen de anderen naar Alcazar gingen?"
Achter Jelmer tekent zich -terwijl hij verder gaat- het begin van de flashback af: "..Hoe wij Hairin hebben ingenomen!?" 
"Vrijdag 28 juli 1217". De schepen liggen met slappe zeilen voor de rede van Hairin. Jelmers woorden als een 'voice over': De wind liet ons in de steek. We dobberden doelloos en kwetsbaar voor de haven.."  
Vanaf één van de schepen klinkt een stem: "Vroeger heette deze stad Santa Maria." Jelmer gaat in 'voice over' verder: "Het was of de voorzienigheid zelf ons hierheen had geleid.."
Pelgrims stappen over van de koggen in kleine bootjes en nemen wapentuig mee. Tijdens het werk maakt een pelgrim zijn verhaal af: "..Nu is al dit land van de ongelovigen!"
 De troepen gaan aan land. Het is een heel gedoe. Leiders geven bevelen: "Een ruime perimeter om het kamp! ..En blijden gericht op de stad!" -"Die greppel daar, moet breder en de wal hoger! ..Het moet een échte belegering lijken!"
Troepen die opgesteld staan bij de greppel krijgen bevelen: "Laat jullie zien met al je wapens! Laat je horen!"
De soldaten reageren allen luidruchtig en onstuimig: "Om Gods wil!"
De leiders kijken bij het vallen van de avond uit over het veld tussen het kamp en de stad. Groepjes Moslims hebben zich als verkenners en wachtposten opgesteld in het veld. Eén van de leiders geeft commentaar: Zo lang die duivels denken dat wij hen zullen aanvallen, laten ze ons hopelijk met rust.."

Tot nu toe bestond dit verhaal alleen als een Word-bestand, waarvan vijf uitgeprinte versies bestaan. Vandaag worden daar de eerste schetsen van Roelof Wijtsma aan toegevoegd. Ik vind het geweldig om te zien dat een paar potloodkrassen en wat trefzekere viltstiftstrepen zóveel kunnen verbeelden. 

De definitieve pagina komt er vast heel anders uit te zien. Maar voor een eerste proef is dit beslist geslaagd. Dit smaakt naar meer!

 

maandag 25 september 2017

14 augustus 1217 - De Straat van Gibraltar

Vanaf hun vertrek uit Lissabon zijn de Kruisvaarders nu 19 dagen onderweg en eindelijk hebben ze de wind mee:

Op de derde dag (14 augustus) hesen we dan de zeilen en voeren omstreeks zonsondergang op dezelfde dag de woeste zeeëngte binnen, waar men links en rechts zonder moeite Europa en Afrika met hoog ten hemel oprijzende bergen kan zien. Daar liggen de Afrikaanse stad Mutemuda (Quasr-es-Seghir) en de Spaanse vesting Tarifa aan de westzijde van het gebergte recht tegenover elkaar, zodat het voor het scheepverkeer een zeer korte oversteek is. In het oosten ziet men de stad Ceuta in Afrika liggen, recht daartegenover ligt Malaga in Spanje.

Volgens mij is het deze maand op de kop af twintig jaar geleden dat ik deze passage voor het eerst las. Het was voor een paper bij het kernvak 'Internationale Organisaties in de Middeleeuwen'. Mijn verhaal moest gaan over de rol en positie van het Friese contingent binnen het internationale geheel van de Kruistocht. Maar wat mij na het lezen van deze passage veel meer interesseerde, was de filmische kwaliteit van het verhaal.

Nog altijd zie ik bij het lezen van dit stukje levendig voor mij hoe de kogge van onze anonieme pelgrim tegen het vallen van de avond de Straat van Gibraltar binnenvaart. Heel zakelijk wordt ons verteld welke steden links en rechts zijn te zien. Dit beeld krijgt drama als je bedenkt dat het allemaal vijandelijke steden zijn. 

Net zoals de Kruisvaarders de steden aan weerszijden zien liggen, worden zij zelf ook vanaf het land geobserveerd. Enkele dagen eerder is al een vloot van ruim tachtig schepen door de zeestraat gekomen. Dat zal de steden in staat van paraatheid gebracht hebben. En nu komt dit éne scheepje, klein en kwetsbaar voorbij. Vastberaden vaart het bij het licht van de ondergaande zon de bek van de leeuw binnen.

Dergelijke dramatische beelden waren in mijn paper niet op hun plek. In plaats daarvan gaf ik mijn werkstuk een pretentieuze ondertitel, die ik met geen mogelijkheid waar kon maken: 'Een dialoog tussen primaire en secundaire literatuur'. Dat al mijn moeite uiteindelijk niet meer dan een mager zesje verdiende, was een grote teleurstelling. Maar mijn liefde voor het verhaal bleef. 

Sindsdien heeft op de hoek van mijn werktafel altijd een stapeltje artikelen en boeken over de Kruistocht gelegen. 'Daar ga ik nog eens iets mee doen' dacht ik als ik er naar keek. En dat vertelde ik ook aan iedereen die het wilde horen.

En nu, twintig jaar later ben ik dus weer terug bij de Straat van Gibraltar. Lange tijd heb ik plannen gemaakt voor een documentaireserie over de Kruistocht; ik heb overwogen een boek te schrijven en ik heb twee verschillende versies van het stripscenario geschreven. Roelof Wijtsma heeft de hoofdpersonen Jelmer en Hendrik tot leven gewekt en momenteel werkt hij op verzoek van een uitgever aan twee proefpagina's.

De Kruisvaarders laten de Atlantische Oceaan achter zich en kijken reikhalzend uit naar wat hen op de Middellandse zee te wachten staat.

('..zodat het voor het scheepverkeer een zeer korte oversteek is.')

zondag 2 juli 2017

Bouwmeester Hendrik van Dokkum

De Kruisvaardersvloot vaart langs de Spaans-Portugese kust. Nu is het tijd om kennis te maken met de tekenaar die achter op het kasteel van een van de koggen stond. Zijn naam is Hendrik en hij is een vriend van de kroniekschrijver Emo, met wie hij rond 1208 plannen maakte om een klooster te stichten:

Toen Emo op zekere dag volgens de gewoonte het feest van de kerkwijding vierde, was daarbij een man (Hendrik) aanwezig met wij hij op zeer goede voet stond. Deze man was een bijzonder vereerder van het sieraad Gods door het bouwen en versieren van kerken; reeds in zijn jonge jaren maar ook daarna was dat zijn liefste bezigheid. Toen hij na het nuttigen van een eenvoudige maaltijd met zijn gastheer een eindje langs de weg wandelde, begonnen zij elkaar op te wekken tot een betere levenswandel; en al pratend verloor de wereld met haar verlokkingen haar glans. De één (Hendrik) werd, zoals later bleek, vooral aangetrokken vanwege zijn enthousiasme voor een nieuw bouwwerk, de ander echter door de eenvoud van het nieuwe leven.

Emo krijgt bezoek van zijn oude studievriend Hendrik, die hij in geen jaren gezien heeft. Ze hebben in hun jeugd samen door Europa gereisd en gestudeerd aan de universiteiten van Parijs, Orléans en Oxford. Toen al was Emo vooral geïnteresseerd in de letteren, terwijl Hendrik meer oog had voor bouwwerken en meetkunde. En nu zijn zij weer samen en maken zij na het eten een wandeling.

Dwars door acht eeuwen heen, krijgen wij een intieme glimp van een diepe vriendschap. Emo en Hendrik voelen een sterke verwantschap en verlangen beiden naar een 'betere levenswandel'. Ze maken plannen om samen een klooster te stichten. Maar al snel na de eerste stappen in die richting, zal blijken dat Hendriks roeping niet ín het klooster is, maar aan de buitenkant, waar hij het gebouw tot eer van God kan versieren.

Dit verschil tussen twee zo verwante zielen vind ik een prachtig gegeven. Het is alsof je hier de échte Narcis en Goldmund treft, waar Hesse zijn roman over schreef. In mijn strip zal van de twee vrienden alleen Hendrik een rol spelen. De bouwmeester met zijn grote liefde voor schoonheid en harmonie is in het verhaal tegelijk een steun en een tegenhanger voor de hoofdeling Jelmer van Bedum.


Mijn Hendrik is een bouwmeester uit de buurt van Dokkum. Hij heeft veel gestudeerd en ook veel gereisd en gezien. Hij is een rustige, wat secundaire persoon. Hendrik staat open voor andere culturen en voor wat er op hem af komt. Hij heeft een positieve, oplossingsgerichte grondhouding. In zijn liefde voor schoonheid en vakmanschap verschilt Hendrik sterk van andere kruisvaarders. Dat hij meewerkt aan de belegering van Damiate, is dan ook niet vanzelfsprekend. Hij wil de vernietiging en het dodental juist zo veel mogelijk beperken. 

(bouwmeester Hendrik, door Roelof Wijtsma)

zaterdag 17 juni 2017

Kennismaking met Jelmer

De vloot laat Pointe Saint-Mathieu achter zich en steekt de Golf van Biskaje over. Eén Friese pelgrim in het bijzonder zal vanwege zijn eigen ervaring met hosties nog herhaaldelijk terugdenken aan de schipbreuk en het wonder dat achter hen ligt. Ik noem hem Jelmer en zijn verhaal wordt verteld door Caesarius van Heisterbach in de Dialogus Miraculorum: 
 
Er leefde in dat gebied een Fries, kampvechter van beroep, die telkens wanneer hij uit de taveerne dronken naar huis ging zijn vrouw op slagen en allerlei pesterijen onthaalde. Op een keer hield zij zich uit vrees voor haar man ziek, en opdat men niet zou merken dat ze simuleerde, liet ze om het Lichaam des Heren vragen. Bij de komst van de priester liep de kampvechter met een kroes bier in de hand beschonken op hem toe en drong aan op een dronk. De priester antwoordde: 'Ik draag het Lichaam des Heren, ik mag nu niet drinken'. De Fries ontstak in woede en sloeg met zijn kroes tegen de pyxis. Alle hosties vlogen eruit en kwamen verspreid op de stenen terecht. Maar de vrouwen die daar bijeen waren om troost te geven, zagen op elk van de hosties iets als een stralende ster. Jammerend en boos verzamelde de priester ze weer in de pyxis en ging weg.
De Fries werd door de landdeken van de streek gedagvaard en geëxcommuniceerd, maar hij maakte zich daar niet druk om. Ten lange leste werd hij gedwongen om, nadat hij voor deze ernstige heiligschennis het kruis had aangenomen, met de voornoemde priester, die hetzelfde had gedaan, naar Rome te gaan. Hij biechtte zijn zonden aan paus Honorius, die hem als boetedoening oplegde naar overzee (het Heilige Land) te gaan en daar drie jaar gewapend Christus te dienen. Om kort te gaan: Allebei gingen ze overzee, en allebei vonden ze voor Damiate de dood.

Hiermee is het verhaal nog niet ten einde, want Caesarius vertelt ook hoe Friesland na de dood van de kampvechter getroffen wordt door een grote overstroming. Vervolgens laat Maria in een visioen weten dat dit de schuld is van de kampvechter. Voor zijn dood heeft hij namelijk geen berouw getoond voor zijn zonden. Ceasarius merkt nog wel op dat er een getuige is die beweert dat de kampvechter voor vertrek wel degelijk alle uiterlijke tekenen van berouw vertoonde. Maar toch hecht hij uiteindelijk meer geloof aan de verklaring van de heilige Moeder Gods. 

Dit aangrijpende verhaal geeft een prachtige inkijk in sfeer die de Vijfde Kruistocht omgeeft. De geestelijke wereld is een realiteit. Gods heiligheid en zijn toorn liggen dicht bij elkaar. En een individu kan een verpletterend zware Hemelse last op zijn schouders te dragen krijgen. Stel je voor! Met één zonde stort deze kampvechter een heel volk in het ongeluk.

Bij het schrijven van mijn scenario is dit verhaal één van mijn uitgangspunten geweest. Zoals gezegd, heet mijn hoofdpersoon Jelmer en hij vertoont enige gelijkenis met de kampvechter van Caesarius: 

Jelmer is een hoofdeling uit Bedum. Zijn karakter is diep geworteld in de Friese vete-cultuur. Hij geeft met harde hand leiding aan een groep stoere strijders. Zijn status als krijgsheer stort in wanneer hij in een dronken bui een priester mishandelt. Hij wordt geëxcommuniceerd en zijn vrouw verlaat hem. In de Kruistocht ziet Jelmer een kans om boete te doen voor zijn zonden. Dat de rest van de kruisvaarders zich minder bekommert om de heiligheid van de onderneming, grijpt Jelmer diep aan.

Met deze Jelmer trek ik nu al jaren op. Bij het schrijven van het scenario heb ik hem door en door leren kennen. Soms had ik een scène bedacht, maar dan liep de boel ineens vast. Dan lukte het mij niet om Jelmer de juiste dingen te laten zeggen of doen, om het verhaal rond te krijgen. Uiteindelijk bleek dan vaak dat ik niet voldoende rekening had gehouden met Jelmers karakter en zijn kijk op de dingen. Pas als ik daar dan bij stil stond, kwam het verhaal weer op gang; vaak heel anders dan ik eerst bedacht had.

En het gekke was, ik kende Jelmer wel van binnen, maar nog niet van buiten. Pas vorige week heb ik hem voor het eerst recht in de ogen gekeken. Roelof Wijtsma maakte een schets van Jelmer en ik wist gelijk dat dit de man is, met wie ik al die tijd heb op gereisd.

(Jelmer van Bedum. Getekend door Roelof Wijtsma)

woensdag 14 juni 2017

4 juni 1217 - Een clandestiene hostie

Nu alles goed geregeld is, kunnen de pelgrims weer vertrekken uit Dartmouth. Iedereen kent nu de regels en ook de bevelvoering is goed geregeld. Maar dan gaat het mis..

Hoewel de lucht op zondag (4 juni) enigszins verstoord was vanwege de bij zeelieden altijd verdachte nieuwe-maan-dagen, koos de graaf van Wied zee onder een gunstige wind met vele schepen. Ze kregen echter tegenwind en werden door mist en regen uiteengeslagen; één schip liep op de klippen van Bretagne; de opvarenden werden gered, maar het schip verging en de lading ging verloren.

Op het eerste gezicht lijkt de graaf van Wied eenvoudigweg een inschattingsfout te maken, wanneer hij met de voorhoede uit vaart. Maar er blijkt meer aan de hand. Niet alleen de tegenwind en de plotselinge mist zijn het probleem. Op het noodlottige schip bevindt zich een priester die een goddelijke straf over zichzelf en zijn reisgenoten afroept. Caesarius van Heisterbach beschrijft deze geschiedenis als volgt in zijn Dialogus miraculorum:

Toen bij die laatste, grote expeditie de schepen die zich uit alle delen van Duitsland verzameld hadden in zee staken. werd aan de priesters om verschillende redenen voorgeschreven dat op geen van de schepen het Lichaam des Heren (hosties) mocht worden bewaard. Alle schepen gehoorzaamden de verordeningen behalve één enkel schip van de Friezen, dat heel snel voor deze ongehoorzaamheid moest boeten. Want door Gods oordeel leed het schipbreuk, en de pyxis die het Lichaam des Heren bewaarde, kwam samen met al het andere dat zich op het schip bevond in het water terecht. De mensen werden door de te hulp gekomen andere schepen gered. En kijk, in de verte zagen ze de pyxis in zee drijven en zich met zo'n snelheid naar de schepen toe bewegen dat ze wel leek te zeilen. Toen ze door een van de schepen was opgevist, kon men aan haar nog een tweede wonder aanschouwen. Al stond het deksel wijd open, want die was niet met een band om de sluiting bevestigd, toch was er bij al die stormachtige golven geen druppel water binnengekomen. 
Deken Hermannus van St. Gereon in Keulen, die erbij was en het zag, pleegt dit als een groot wonder te vertellen. 
  
Dit wonder zal op iedereen diepe indruk gemaakt hebben. In de 13e eeuw viert de verering van het Lichaam des Heren hoogtij. De ontheiliging van een hostie is een grote zonde die in menig wonderverhaal ernstig bestraft wordt. Bijvoorbeeld het per ongeluk laten vallen van een hostie is al voldoende om overstromingen te veroorzaken. Om deze reden mogen er ook geen gewijde hosties aan boord zijn. Het zou immers verschrikkelijk zijn, wanneer één van deze heilige stukken brood in zee zou vallen, of -erger nog- door een zeezieke communicant uitgekotst zou worden.
Eén pelgrim die zich het verhaal van de drijvende hostie extra aantrekt, is Jelmer. Maar voor ik zijn verhaal vertel, zal ik morgen eerst vertellen hoe de rest van de vloot op het wonder reageerde.

(Een 13e eeuwse Franse pyxis)

vrijdag 3 februari 2017

In de wolken

Hoe begint de volgende scène? Het gaat om Jelmer en Meester Olivier. En ik weet ook al wat de mannen gaan zeggen. Maar waar zijn ze op dat moment? Terwijl ik hier over nadenk, vult mijn kamer zich met vluchtige dampen.

Eindelijk heb ik de rust en de tijd om het bouwpakket van de kogge in elkaar te zetten. Iedere dag probeer ik een klein stukje te doen. Eerst plak ik de romp in elkaar met een agressieve lijm die scherp amandel-achtig ruikt. De plastic delen die er mee in contact komen, smelten een beetje en zitten daarna onlosmakelijk vast. Vervolgens schilder ik het geheel. De handleiding spreekt over een verfmengsel van 'bruin mat 85' en 'roest mat 83' in een verhouding van 3:1. Maar ik kies voor een dik geschilderde ondergrond waarop ik met heel veel wasbenzine en drie verschillende kleuren 'aquarelleer' tot ik een geloofwaardige houtkleur heb. Iedereen begrijpt dat je zoiets in een goed geventileerde kamer moet doen en zelfs dan nog niet te lang achter elkaar.

Bij de zoveelste sterk verdunde verflaag, dalen mijn gedachten door een luik af naar het ruim van het schip. Het ruikt er naar hars en pek en daar is Jelmer aan het werk. Plots hoort hij Olivier roepen: 'Jelmer! Het is ons gelukt!'

 (Ideale omstandigheden voor een brainwave)